Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
Aht. 22.
meenteraad uit eene voordragt van drie personen, opge-
maakt door burgemeester en wethouders in overleg met
den hoofdonderwijzer en den districts-schoolopziener.
(c) De hoofd- en hulponderwijzers kunnen door burge-
meester en wethouders, den schoolopziener gehoord,
worden geschorst. Burgemeester en wethouders geven
zoo spoedig mogelijk rekenschap van hun besluit aan
den raad.
(d) De hoofd- en hulponderwijzers worden ontslagen door
den gemeenteraad, op voordragt van burgemeester en
wethouders en den districts-schoolopziener. Ontslag op
eigen verzodc geschiedt regtstreeks door den raad.
(e) Is schorsing of ontslag, naar inzien der plaatselijke
schoolcommissie of van den districts-schoolopziener, noo-
dig en de gemeenteraad nalatig of weigerachtig daartoe
over te gaan, dan kan de schorsing of het ontslag door
Gedeputeerde Staten geschieden.
(f) Schorsing geschiedt uiterlijk voor drie maanden en
met behoud of met gedeeltelijk of geheel verlies der
bezoldiging gedurende het buiten dienst blijven.
(g) Die ontslagen zijn ter zake van een ergerlijk levens-
gedrag of het verspreiden van leeringen, strijdig met
de goede zeden of aansporende tot ongehoorzaamheid
aan de wetten des lands, kunnen door Gedeputeerde
Staten worden verklaard hunne bevoegdheid tot het ge-
ven van onderwijs verloren te hebben.
(h) Het benoemen en ontslaan der kweekelingen geschiedt
door den hoofdonderwijzer, onder goedkeuring van den
districts-schoolopziener.