Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
Art. 21 en 22.
van het eerste, als een ondergeschikt, weinig belangrijk
vereischte wordt beschouwd. De Regering, lettende op
het voorschrift der Grondwet, acht beide gelijk te staan,
en onmisbaar te wezen en meent dat dit denkbeeld dui-
delijk is uitgedrukt. (Mem. v. Toel. van 30. Dec. 1855.)
b. Dat door het bestuur der gemeente of het dagelijksch
bestuur burgemeester en wethouders moeten worden ver-
staan, en dat het voorschrift de overlegging medebrengt
van een nieuw getuigschrift bij elke nieuwe benoeming of
bij het dingen naar elke plaats, zoodat de controle telkens
over het afgeloopen tweejarig tijdvak loopen zal. Dit
laatste volgt uit het hier gegeven voorschrift. De uit-
drukking is te verkiezen, omdat ook aan het geval moet
worden gedacht, dat iemand van buiten 's lands komt en
eene plaatsing als hoofd- of hulponderwijzer verlangt. De
zoodanige kan wel een bewijs overleggen van het bestuur
der gemeente, waar hij gedurende de twee laatste jaren
woonde, maar niet in elk geval van een collegie, gelijk-
staande met dat van burgemeester en wethouders hier te
lande. (Mem. v. Toel. van 21. Febr. 1857.)
Art. 22. (a) De hoofdonderwijzers worden benoemd door
den gemeenteraad uit eene voordragt van minstens drie
en hoogstens zes personen, opgemaakt door burgemees-
ter en wethouders, in overleg met den districts'school-
opziener na een vergelijkend examen, door hem of on-
der zijn opzigt afgenomen ten overstaan van burge-
meester en wethouders, of van afgevaardigden uit hun
midden en van de plaatselijke schoolcommissie, of van
afgevaardigden uit die commissie. De leden van den
raad worden tot het bijwonen van dit examen uitge-
noodigd.
(b) De hulponderwijzers worden benoemd door den ge-
5