Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
Aut. 20.
zelfs niet volstaan kan met een hoofdonderwijzer, maar
dat er een hulponderwijzer bij moet zijn. Art. 18 bewijst
dus, dat Gedeputeerde Staten, wanneer zij mijn amende-
ment wilden ten uitvoer leggen in den geest dien men
aangaf, zouden handelen tegen de strekking van mijn amen-
dement en tegen de wet. (Bijbl. 1857, bladz. 1173.)
Uit den aard der zaak zal het amendement zich moeten
bepalen tot scholen waarin kinderen onderwezen worden
tot een zeker getal, want volgens de bepaling van art.
18 zal daar, waar meer dan 70 kinderen aanwezig zijn,
de hulponderwijzer den hoofdonderwijzer ter zijde staan.
Het is niet te denken dat men op dergelijke scholen twee
hulponderwijzers naast elkander zal kunnen of willen
plaatsen, dat Gedeputeerde Staten in zoo iets zouden
kunnen toestemmen. (Min. van binnenL zaken, Bijbl. 1857,
bladz. 1210.)
Ik moet toch doen opmerken dat zoowel de bepaling
van art. 20 als de derde alinea van art. 51 eenvoudig
zijn een hulpmiddel, een redmiddel om uit geldelijke be-
zwaren te geraken. Het zijn uitzonderingen door de be-
paling zelve onder zekere beperking gebragt.
In art. 20 wordt alleen de uitzondering toegelaten in de
gemeenten, waarin wegens de uitgebreidheid van haar
grondgebied, bij verspreide bevolking, een grooter aantal
scholen vereischt wordt dan anders noodig zou zijn. (Min.
van binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1210.)
In eene zoogenaamde bijschool kan misschien zonder
groot ongerief het onderwijs aan een hulponderwijzer worden
toevertrouwd. Die maatregel moet echter eene zeldzame
uitzondering zijn. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
Wanneer men dit art. aanneemt, dan vrees ik dat men
met de eene hand zal geven en met de andere zal ont-
nemen. De groote meerderheid der Kamer heeft gewild
de verbetering van het lot van den onderwijzer en daar-
mede de verbetering van den toestand van het onderwijs.
Wanneer men nu al die kleine scholen wil laten in dien
vernederden toestand waarin zy zich bevinden, is het niet