Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
Art. 19.
beter onderwijs en aangenamer omgang met de kinderen
het doel te bereiken, die naijver zou ten voordeele der
leerlingen strekken en niet anders dan gunstig werken.
Maar zou de strijd steeds op die wijze worden gevoerd?
Zouden de onderwijzers niet misschien ook tot andere
minder prijselijke middelen de toevlugt nemen? Naar
inzien der Regering kan dit niet twijfelachtig zijn, en het
voordeel dat hier of daar van den maatregel te wachten
ware, zou verre overtroffen wqi'den door de nadeelen, die
er in de meeste gemeenten uit zouden ontstaan.
De Regering acht het alzoo ongeraden den onderwijzer
een veranderlijk inkomen te doen toeleggen. Er zijn bo-
vendien andere middelen om den ijverigen onderwijzer aan
te moedigen: van wege de gemeente of het Rijk kan hem
eene geldelijke of andere belooning worden toegelegd.
Mogt, hetgeen de Regering niet wil onderstellen, deze of
gene onderwijzer zijnen pligt niet behoorlijk vervullen, de
wet geeft genoegzame middelen aan de hand om den zoo-
danigen tot het besef zijner roeping terug te brengen.
(Mem. v. Toel. van 21. Febr. 1857.)
(g) Welke maatstaf voor de vaste jaarwedde des onder-
wijzers worde aangenomen, men blijft aan het denkbeeld
hechten, om aan den hoofdonderwijzer boven die vaste
jaarwedde een veranderlijk inkomen uit de schoolgelden
toe te kennen. Daarin zal hij een prikkel vinden om zijn
onderwijs zoo voortreifelijk te doen zijn, als hij vermag.
In verre de meeste gemeenten zijn op dit oogenblik de
inkomsten des onderwijzers in meerdere of mindere mate
afhankelijk van den bloei zijner school. Voor de bijzon-
dere onderwijzers is dit bijna zonder uitzondering het ge-
val , en zal het na de invoering der wet zoo blijven.
(Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(g) De Regering blijft van oordeel, dat eene regeling
van een veranderlijk inkomen, boven eene vaste jaar-
wedde, uit de schoolgelden, door de wet gewigtige be-
zwaren zou ontmoeten, en het alzoo verkieslijker is, die
regeling aan de Gemeentebesturen over te laten , die daarbij