Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
73
Akt. 19.
sturen, zoo noodig door gedeputeerde Staten en den
Koning kan worden opgevoerd, en evenzeer als thans
reeds de jaarwedden der onderwijzers sehier in elke ge-
meente verschillen, en zij, wier werkzaamheden uitge-
breider en ingewikkelder zijn, hooger bezoldiging genie-
ten dan hunne ambtgenooten in kleiner werkkring ge-
plaatst, zullen ook, naar alle waarschijnlijkheid, onder
de nieuwe wet de onderwijzers in inkomen onderling
zeer verschillen. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij 1857.)
(g) Op de vraag: om. aan den hoofdonderwijzer een ver-
anderlijk inkomen boven zijne vaste jaarwedde toe te kennen,
antwoordt de Regering:
Het geval is allezins denkbaar en zal zich vermoedelijk
meermalen voordoen, dat een onderwijzer, hoe ijverig
hij ook zij en welke pogingen hij aanwende om door
zijn deugdelijk onderwijs meer leerlingen naar zijne school
te lokken , hierin geheel buiten zijne schuld niet zal sla-
gen. De gemeente waar hij woont kan in eenen staat
van achteruitgang verkeeren; landverhuizing of andere
redenen kunnen de bevolking doen verminderen, zoodat,
hoe hij zich ook inspanne, zijne school geene vermeer-
dering van leerlingen kan ondergaan. In eene andere
gemeente daarentegen, die in welvaart en bloei vooruit-
gaat , waar de bevolking steeds toenemende is , zal de
onderwijzer, ook zonder buitengewonen ijver, het getal
zijner leerlingen als van zelf zien vermeerderen. Daar-
door zal het veranderlijk inkomen van dezen onderwijzer
vrij aanzienlijk worden, terwijl den anderen , meer ijveri-
gen, geene verhooging van inkomen zal te beurt vallen.
Zou dit billijk wezen ? Maar gesteld, men stapte over
dit bezwaar heen en de maatregel kwam tot stand, hoe
zou hij dan werken ?
In vele gemeenten zijn twee scholen; ten einde hun
veranderlijk inkomen te verhoogen, zouden de onderwij-
zers dier scholen al ligt elkander de leerlingen trachten
te ontrooven. AVierden daarbij alleen eerlijke wapenen
gebruikt en deed de eene onderwijzer zijn best om door