Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
Art. 19.
der personen als in dat van het onderwijs, zooveel moge-
lijk worden gewaakt. Daarom drong men er van deze
zijde op aan, dat bij de wet een minimum werd vastge-
steld voor het vast inkomen , dat de openbare onderwij-
zer uit de gemeentekas moet genieten. (Voorl. Versl. van
22. Mei 1855.)
(g) De gemeenten moeten in dit opzigt niet naar eigen
inzigten handelen: de onderwijzers moesten gewaarborgd
worden tegen de gevolgen van karigheid en gemis aan
belangstelling bij gemeenteraden. Daarom zou het vast-
stellen bij de wet van een minimum van vast inkomen
voor de openbare onderwijzers, op welke wijze dan ook
voor de verrekening of aanvulling van dit bedrag zorg
gedragen werd, het meest in aanmerking komen. (Voorl.
Versl. van 22. Mei 1855.)
(g) Het geldt hier eene regeling voor het geheele rijk,
(namelijk die der inkomsten) en in dien algemeenen zin,
zou uit het aannemen van het minimum van ƒ 400 eene
lotsverbetering der onderwijzers voortvloeijen, die op den
bloei van ons schoolwezen gunstig moet terugwerken. De
maatstaf van een minimum van ƒ 400 is voor een land
als het onze niet te veel. (Voorl. Versl. van 6. April
1857.)
(g) Het minimum is vastgesteld met het oog op het
geheele land, om voor te komen , dat het lot der onder-
wijzers niet dale beneden dat peil. Bijkans overal in het
beschaafde Europa heeft de wet een minimum van trak-
tement voor de onderwijzers vastgesteld; zullen wij dan
nu daarin terug blijven, nu wij het lot der onderwijzers
misschien voor geruimen tijd zullen vaststellen, en het
ons allen eene aangename taak is, het lot van dien ver-
dienstelijken stand te kunnen verbeteren, en daardoor
tevens te kunnen medewerken, tot verbetering van het
onderwijs, die rijke bron van volksbeschaving en volks-
heil. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1055.)
(g) De wensch dat de wet een minimum vaststelde is
zoo algemeen kenbaar gemaakt, en aangedrongen, dat het