Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
Art. 17.
Uoor de voorgestelde regeling sluiten de handelingen
van den Gemeenteraad, van Gedeputeerde Staten en van
den Koning aan elkander en wordt de zekerheid verkre-
gen , dat het getal scholen niet te gering zal zijn. Te
talrijk zal het van den anderen kant ook niet wezen. Vrees
voor willekeur van de zijde van Gedeputeerde Staten be-
hoeft er niet te bestaan, want krachtens art. 13 dezer wet
kan, in geval van verschil van gevoelen tusschen hen en
den Gemeenteraad, deze bij den Koning in hooger beroep
komen. Bovendien is een krachtige waarborg tegen het
te ver opvoeren van het getal der scholen door de hoogere
autoriteit gelegen in de bepaling van art. 36 dezer wet.
Aan Gedeputeerde Staten ook de bevoegdheid toe te ken-
nep om vermindering van het getal scholen in de Ge-
meente te bevelen , schijnt onnoodig. Men mag niet onder-
stellen , dat een Gemeenteraad eene school, die gemist
zou kunnen worden, alleen uit welwillendheid jegens den
onderwijzer of om andere redenen in stand zou willen hou-
den. Maar ook zou die bevoegdheid tot het bevelen van
vermindering ten gevolge kunnen hebben, dat het grond-
wettig voorschrift omtrent het voldoend openbaar lager
onderwijs van overheidswege niet geheel werd nageleefd.
(Mem. v. Toel. van 30. Dec. 1855.)
(b en c) "Worden één of meer scholen door den Ge-
meenteraad gevestigd op punten, volstrekt niet geschikt
voor een deel der bevolking van de gemeente, dan heeft
de raad niet voldaan aan zijne verpligting om op de be-
volking en de behoefte te letten, en kunnen Gedeputeerde
Staten of de Koning, dewijl het getal onvoldoende is, de
vestiging van nog één of meer scholen op de voorbijgegane
punten bevelen. (Mem. v. Toel. van 21. Febr. 1857.)
(c) Wenschelijk schijnt het, dat dit plaats hebbe, bij
een formeel Koninkl. Besluit, 't welk althans in de Staats-
courant wordt opgenomen. Op aandrang van den school-
opziener zou eene onbillijke beslissing kunnen genomen
worden. Om zich daartegen zoo veel mogelijk te waar-
borgen , behoort de zaak ter kennis te komen van het
L