Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
mBBÊÊÊmm
58
Art. 16.
om zich de geldelijke opoffering, voor de instandhouding
vereischt, te getroosten. Is de school eene bijzondere
onderneming van haren onderwijzer, dan zal in vele ge-
vallen zijn overlijden of vertrek naar elders aan het be-
staan der school een einde maken. Men kan er nooit vast
op rekenen, dat een ander bijzonder onderwijzer in zijne
plaats optrjedt of zich in de gemeente nederzet. Is dit
niet het geval, dan zou in zoodanige gemeente de school-
jeugd of een deel daarvan gednrenden ruimen tijd van het
genot van onderwijs verstoken blijven. Zoo de Regering
tot zulk een kwaad aanleiding gaf, zou zij niet voldoen
aan de Grondwet, die haar het openbaar onderwijs als
een voorwerp van aanhoudende zorg aanbeveelt. (Voorl.
Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) Er moet in elke gemeente, het geval van het laat-
ste lid van art. 15 alleen uitgezonderd, minstens ééne
openbare lagere school bestaan. De gemeente, die zich
aan het vervullen van dien pligt onttrok, zou in strijd
handelen niet slechts met de tegenwoordige wet, maar
met het duidelijk gebod der Grondwet. (Voorl. Versl.
van 6. April 1857.)
(a) Dit art. laat aan de Gemeentebesturen alle vrijheid r
de openbare scholen in te rigten voor jongens en meisjes
gezamentlijk of afzonderlijk. De Regering acht het wen-
schelijk , dat het oprigten van afzonderlijke jongens en
meisjesscholen meer algemeen worde, dan tot dusverre
plaats had, en zij vleit zich, dat dit ook zal ge-
schieden , dewijl de overtuiging dier wenschelijkheid meer
en meer veld begint te winnen. (Mem. v. Toel. van 30.
Dec. 1855.)
(a) Men heeft erkend, dat art. 16 duidelijk genoeg
voorschrijft, dat in elke gemeente, het geval van het
laatste lid alleen uitgezonderd ten minste ééne openbare
lagere school moet bestaan. Ook de zienswijze der Re-
gering over het vraagstuk, in hoeverre de gemeentelijke
overheid bij het bepalen van het getal en het regelen der
inrigting harer scholen, op de bestaande bijzondere scho-