Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
49
Art. 12 ek 13.
vorming van bekvirame, zedelijke, kundige onderwijzers.
Maar de inrigting dier kweekscholen , het vinden van per-
sonen , bekwaam en geschikt om aan het hoofd er van te
staan, en zich te belasten met de opleiding van toekom-
stige onderwijzers, is geene ligte zaak, en ik geloof, dat
wij het belang, dat daarmede verbonden is, niet moeten
opofferen aan de zucht, om die inrigtingen spoedig tot
stand te brengen. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857,
bladz. 201, 1» Kam. der St.-Gen.)
(b) Door het verleenen van beurzen en op velerlei andere
wijzen kon die aankweeking worden bevorderd. Daartoe
en tot het opwekken van eenen loffelijken naijver onder
de onderwijzers zouden, volgens sommigen in elke provincie
eene of meer modelscholen worden opgerigt, die het mid-
den hielden tusschen een eigenlijke kweekschool en eene
gewone lagere school. Zij zouden in grootere gemeenten
of in openbare gestichten te vestigen zijn, en indien daarbij
een talrijk onderwijzers personeel wierd geplaatst, andere
scholen door den tijd van bekwame hoofden kunnen voor-
zien. (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(b) De inrigting van de onderwijzersgezelschappen behoort
niet aan den wetgever te worden opgedragen. Zij zijn
geschikt voor onderlinge oefening van reeds dienstdoende
onderwijzers. (Mem. van Beantw. van 16. Junij 1857.)
Art. 13. Yan elk besluit, krachtens deze wet door
Gedeputeerde Staten genomen, kan bij Ons in beroep
worden gekomen.
De bedoeling is geenszins Gedeputeerde Staten in het
hoogste ressort te doen beslissen. In elk dezer gevallen
behooren zij, die zich met hunne beslissing bezwaard
achten, vrijheid te hebben daarvan voorziening bij den
Koning te vragen. Ten einde hieromtrent geen twijfel
besta, is dit art. in het ontwerp opgenomen. (Mem. v.
Toel. van 30. Dec. 1855.)
4