Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
48
Art. 12.
Regering het noodzakelijk geacht in de wet op te nemen,
dat die instellingen toegankelijk zullen zijn voor kweeke-
lingen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid,
en dat de beginselen, nedergelegd in de drie eerste alinea's
van art. 23 op dezelve moeten worden toegepast. Dit
spreekt van zelf, en wordt alzoo geen nader uitdrukkelijk
voorschrift vereischt. Dergelijk voorschrift moge onmis-
baar zijn bij scholen van gemeentewege op te rigten, en
waar anders welligt de neiging zou bestaan tot splitsing
naar gelang der gezindheden en tot het geven eener be-
paalde godsdienstige rigting aan het onderwijs; maar bij
instellingen, van Regeringswege te vestigen en in te rig-
ten , worden waarborgen van dien aard niet gevorderd en
kan het niet twijfelachtig wezen, of de Regering zal zor-
gen , dat, bij de toelating van kweekelingen, het behooren
tot een of ander kerkgenootschap geene reden van uit-
sluiting kan zijn, en dat de jongelieden van hunne eer-
ste opleiding af bezield worden met beginselen, welke
voortaan den openbaren onderwijzer hier te lande be-
hooren te kenmerken. (Mem. van Beantw. van 16. Junij
1857.)
(a) Op de aanmerking, aangaande de te verwachten strekking
en inrigting der kweekscholen, antwoordt de Regering:
Ten aanzien der hoofdtrekken van de inrigting der
kweekscholen behoorde, naar inzien der Regering, de wet
geene bepalingen te bevatten. Die hoofdtrekken toch,
waaronder worden verstaan het programma der lessen,
de wijze van toelating, het bedrag der beurzen, de duur
van den cursus, het onderwijzend personeel, enz. kunnen
wijzigingen behoeven, en het is alzoo verkieslijk ze niet
door de wet te doen vaststellen. (Mem. van Beantw. van
16. Junij 1857.)
(a) Op de vraag : zullen de kweekscholen spoedig tot stand
komen, antwoordt de min. van binnenl. zaken:
Het ligt in de bedoeling van de Regering om de kweek-
scholen, zoo spoedig mogelijk dit kan, op te rigten en te
organiseren. Zij zullen krachtig moeten bijdragen, tot de