Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
Art. 10.
en behoeftigsten stand der maatschappij aantreft, die zich
door zeer buitengewonen aanleg boven al de anderen on-
derscheidt. Voor zoodanig een zou, indien hij bij uitste-
kende geestvermogens geschiktheid en neiging voor den
onderwijzersstand voegt, het thans bedoeld vergelijkend
examen een gewenscht middel worden tot zijne verdere
opleiding geheel of grootendeels op kosten eener publieke
kas. Het aangeprezen beginsel wordt sedert eenige jaren
met goed gevolg op de begeving der rijksbeurzen voor
aankomende onderwijzeressen toegepast. Die beurzen ple-
gen insgelijks niet dan ten gevolge van een vergelijkend
examen te worden toegekend.
Men kan niet aannemen, dat de opleiding van kweeke-
lingen op de gewone lagere scholen, boven eene meer
opzettelijke opleiding de voorkeur verdient. De man, die
aan 't hoofd staat eener goede lagere school, wordt door
het veelomvattende zijner taak te zeer afgetrokken, dan
dat hij genoegzamen tijd aan de vorming zijner kweeke-
lingen wijden kan. Hij zal zich te midden zijner veel.
vuldige beslommeringen meestal tot het geven van vlugtige
wenken aan hen moeten bepalen. Den gewonen gang van
het lager onderwijs zullen dezen wel leeren kennen, omdat
zij gedurende den schooltijd bij de lagere klassen worden
bezig gehoudes; maar buitengewone vorderingen in het
vak zullen zij niet maken. Tenzij zij zich zeiven weten
te vormen, zullen zij zich niet verheffen boven den gewo-
nen sleur. Zoo de Regering hier echter met geldelijke
aanmoediging tusschen beiden trad, zou althans, mede
door een vergelijkend examen, moeten worden zorg ge-
dragen , dat de overheid die aanmoediging alleen verleende
ten behoeve van kweekelingen van meer bijzonderen aanleg.
Terwijl men derhalve liet beginsel der driederlei oplei-
ding van de onderwijzers in de wet wenscht geworteld te
zien, meent men, dat de Regering voor de toekomst ook
op de vestiging van kweekscholen voor onderwijzeressen
bedacht moet zijn. Vooral zou daaraan behoefte bestaan,
als het denkbeeld, om meer dan tot nu toe voor de op-