Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
Art. 10.
(a) De Regering stemt toe, dat de bepaling gestreng
is, maar acht gestrengheid ten deze noodzakelijk. Het is
niet de soort van misdrijf, maar de daarop gevolgde
straf, die aanleiding moet geven, om den onderwijzer,
die ze onderging, niet meer tot het geven van onder-
wijs toe te laten.
Heeft eenmaal een onderwijzer , de bevoegdheid tot het ge-
ven van lager onderwijs verloren, kan hij dan nog met vrucht
werkzaam zijn? Is het te verwachten, dat hij , van wien
bekend is, dat hij, om welke reden dan ook, uit den on-
derwijzersstand verbannen is geweest, later de zoo onmis-
bare achting zijner leerlingen weder zal deelachtig wor-
den ? Even zoo met de dronkenschap: zal de onderwij-
zer, die hier aan verslaafd is geweest, al heeft hij zich
later geheel gebeterd, niet steeds in het vervullen zijner
betrekking op hinderpalen stuiten ten gevolge der bekend-
heid zijner leerlingen met het vroeger voorgevallene? Ge-
strenge bepalingen zijn ook in het belang van den onder-
wijzersstand, om dezen van schadelijke bestanddeelen vrij
te houden, en de achting voor dien stand te vermeerde-
ren. (Mem. van Toel, van 21. Februarij 1857.)
(b) Het teruggeven va:^ de bevoegdheid tot het geven
van onderwijs moet als eene gunst beschouwd worden.
(Mem. van Beantw. van 16. Junij 1857.)
(b) De tegenstelling van regt tot vorderen en gunst
toont genoegzaam aan, in welken zin het woord gunst
hier was gebezigd.
De vraag kon rijzen, of niet den onderwijzer in zekere
gevallen het regt behoorde te worden toegekend, de terug-
gave zijner verloren bevoegdheid te eischen? Naar inzien
der Regering moest die vraag ontkennend worden beant-
woord, en die teruggave steeds als eene daad van onver-
pligte welwillendheid worden aangemerkt. Om dit te doen
uitkomen is gezegd, dat het terugkrijgen der bevoegdheid
als eene gunst moest worden beschouwd, als iets waarop
regtens geene aanspraak was te maken.
Van gunst of ongunst in den zin van bevoorreg-