Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
Art. 10.
tigd om, bijaldien het veroorzaakte nadeel geen vijf en
tvpintig franken te boven gaat en bijaldien de omstandig-
heden het wanbedrijf schijnen te verkleinen, de gevange-
nis zelfs tot beneden de zes dagen en de boete zelfs tot
.beneden de zestien franken te verminderen. Zij zullen ook
de eene of de andere dezer straffen afzonderlijk mogen
wijzen, zonder dat zij in eenig geval beneden de bloote
policie-straifen mag zijn.
h. Op de vraag: of ook niet het woord lastek, in lett.
b moest ivorden gevoegd f antwoordt de Regering:
Laster gelijk die in (art. 367) van het wetboek van straf-
regt voorkomt, is naar inzien der Regering met meineed
niet op eene lijn te stellen. Verkeerd ingelicht en zonder
behoorlijk onderzoek kan men, zonder boos opzet, een
lasterlijk gerucht helpen verspreiden; ook kan aan iemand,
in drift of uit onbedachtzaamheid, eene lasterlijke aantij-
ging ontvallen. Bij laster kunnen dus en bijzonder ook
door de bepaling van art. 368 van het wetboek, verschoo-
nende omstandigheden aanwezig zijn, en daar de Rege-
ring van oordeel is, dat de wet alleen die wanbedrijven
moet vermelden, waaromtrent het niet twijfelachtig is of
hij, die ze, onder welke omstandigheden ooh bedreef, de be-
voegdheid tot het geven van onderwijs behoort te verlie-
zen , heeft zij gemeend laster daar uit weg te kiinnen laten.
(Mem. van Beantw. van 16. Junij 1857.)
Art. 367 en 368 van het wetboek van strafregt luiden
aldus:
Art. 367. Schuldig aan het wanbedrijf van lastering zal
zijn, die, hetzij of in openbare plaatsen of bijeenkomsten,
hetzij in eene authentieke of publieke acte, hetzij in een
gedrukt of ongedrukt geschrift, dat aangeslagen, verkocht
of verspreid is geworden, aan iemand, wie het ook zij ,
daden ten laste gelegd zal hebben die, ingeval zij plaats
hadden, dengenen, tegen wien zij geduid zijn, aan lijf- of
boetstraffelijke vervolging of wel enkel aan de verachting
en den haat der burgeren, bloot zouden stellen.
Deze daad is niet toepasselijk op daden , welke de wet