Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
246
daaronder uitdrukkelijk begrepen die van het oprigten en
in stand houden of het huren der schoolgebouwen, komen
ten laste der gemeenten, ten ware anderen tot het voldoen
dier kosten zijn verpligt, of dat die op andere wijze wor-
den gevonden.
Dat, worden de gemeenten door die uitgaven te zwaar
gedrukt, art. 36 der aangehaalde wet het middel aan de
hand geeft om de gemeenten daarin tegemoet te komen,
terwijl voorziening langs eenen anderen weg niet geoor-
loofd is.
Dat, of de gemeenten al dan niet gebruik maken van
den driejarigen termijn, bij art. 70 der wet uiterlijk toege-
staan voor het in werking brengen van enkele harer
voorschriften, dit ten dezen geen verschil maakt, daar de
wet op dit punt geene uitzondering behelst, en het toe-
kennen van Rijks subsidie voor de hier bedoelde behoefte
aan gemeenten, die art. 70 toepassen, — daargelaten de
onbillijkheid voor die gemeenten, die dadelijk bij, of
spoedig na het invoeren der wet, haar openbaar onder-
wijs , overeenkomstig de voorschriften van deze hebben
ingerigt of voornemens zijn dit te doen, — eene aanmoe-
diging wezen zou, om, in strijd met de niet twijfelachtige
strekking der wet, het tijdstip harer geheele invoering zoo
ver mogelijk te verschuiven.
Dat, op dezelfde gronden en met hetzelfde doel, ook
voortaan geene toekenning moer geschieden zal van nieuwe
Rijks jaarwedden, noch verhooging van reeds verleende,
ten behoeve van gemeente-onderwijzers, daar ook dit deel
der algemeene kosten van het openbaar lager onderwijs
op de hierboven aangeduide wijze behoort te worden be-
streden; ofschoon ook hier, zoo noodig, art. 36 van toe-
passing is.
Dat, in overeenstemming met het slot van art. 70, in
de gemeenten, die van den driejarigen termijn gebruik
maken , de uitbetaling der Rijks jaarwedden en toelagen
op den tegenwoordigen voet zal worden voortgezet; ter-
wijl de vraag, of die betaling ook zal geschieden in de