Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
ir
15
Art. 1.
aankomt op het schrijven eener rekening, of wat verder
van dien aard in het dagelijksch leven gevorderd wordt.
Tot dus verre is men hier te lande in dat opzigt achter-
lijk. Welligt draagt daartoe bij, dat menig onderwijzer
zijne leerlingen te veel met spraakleer, te weinig met
stijloefening bezig houdt. (Voorl. Versl. van 29. April 1856.)
g. Die (de beginselen) der geschiedenis.
Be minister van binnenl. zaken antwoordt op de vraag, of
de gewijde geschiedenis nu ïs'Iet meer onder de vakhen van
onderwijs moest gerekend worden, dus :
Ik acht de gewijde geschiedenis te zijn, een deel der
geschiedenis, en als zoodanig behoeft ze niet bepaaldelijk
te worden vermeld. Indien het noodig ware de gewijde
geschiedenis afzonderlijk te noemen, ik zou het tevens
noodig achten andere onderdeelen der geschiedenis te ver-
melden , ten einde aan deze ook hunne plaats in het onder-
wijs te verschaffen, en waar zouden wij dan blijven staan.
Het is, dunkt mij, duidelijk dat do gewijde geschiedenis
niet afzonderlijk behoeft te worden vermeld. (Bijbl. 1857,
bladz. 1031.)
Op de opmerking, dat onder geschiedenis ook kerke-
lijke geschiedenis gerekend wordt, geeft de minister deze
verklaring:
Ik heb aan het door mij reeds gezegde alleen nog dit
toe te voegen, dat, wat er ook zij van het onderwijs in
de geschiedenis , en welk deel daarvan op de lagere school
zal worden behandeld, daarbij altijd in het oog zal moe-
ten gehouden worden, en zal moeten worden geobser-
veerd de bepaling geschreven in het tweede lid van art.
23 van deze wet. (Bijbl. 1857, bladz. 1031.)
h. De beginselen der kennis van de levende talen.
Deze idtbreiding van het lager onderwijs is in de wet opge-
nomen, op voorstel van prof. liOssciiA, lid van de Tweede
Kamer der Staten-Generaal, in strijd met de meening van de
Regering. De opheldering moet men dus bij hem zoeken. Bij
zegt daaromtrent het volgende:
Waar zich eene bevolking bevindt, die voor hare kinde-