Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
14
Akt. 1.
moest worden geëerbiedigd. Maar daarom werd Gods
woord niet van de school geweerd ; want buiten den school-
tijd, op afzonderlijke uVen, was daartoe gelegenheid. Nie-
mand zou grond hebben om zich daarover te beklagen of
te ergeren. (Bijbl 1857, bladz. 1115.)
c. Eekenen. Belrehkelijk het onderwijs in de kennis der
maten en gewigten, zegt de minister van binnenl. zaken :
De kennis van de maten en gewigten moet, gelijk tot
hiertoe, medegedeeld worden bij het onderwijs in het reke-
ken. (Bijbl. 1857, bladz. 1024.)
d. Beginselen der vormleer.
Op zeer vele lagere scholen maakt zij (de vormleer)
thans reeds een deel van het onderrigt uit. Het onderrigt
daarin is een gepast middel om het oog der kinderen te
oefenen, de verstandsontwikkeling te bevorderen, en hen
te leeren vormelijke voorstellingen met juistheid uit te
drukken. (Voorl. Versl. van 29. April 1857.)
Schoon de opmerking, dat de vormleer meer eene me-
thode van onderwijs is, eene manier om de aandacht be-
zig te houden, en eene gymnastiek voor den geest, dan
een vak van kennis of wetenschap, acht de regering het
toch raadzaam de beginselen der vormleer in art. 1 te
behouden, zoowel omdat deze nu reeds in vele scholen
onderwezen worden, als ook en vooral om het verband
der vormleer met het thans onder de vakken van het lager
onderwijs opgenomen onderwijs in het teekenen. (Mem.
van Beantw. van 16. Junij 1857.)
e. De beginselen der Nederlandsche taal.
Algemeen vreest men, dat het taalonderwijs op de meeste
lagere scholen niet de rigting erlangen zal, die men gaarne
daaraan zag geven. Hoe nuttig het zij, dat de school-
kinderen de voornaamste taalregels kennen, en zich eene
goede spelling eigen maken, is een en ander slechts mid-
del en moet het doel zijn, dat de verstgevorderden zich
gemakkelijk en juist in hunne moedertaal uitdrukken. Zij
moeten een goed opstel kunnen vervaardigen, een lees-
baren brief kunnen schrijven, niet verlegen staan, als het