Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
216
Aet. 70, 71 en 72.
(Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 201, 1'Kam.
der St.-Gen.)
(e) Het is mijne beweegreden geweest, [om de kosten
te regelen] een termijn van drie jaren te verlangen, en
niet om de Gemeentebesturen de gelegenheid te geven om
de handen slap te laten hangen, maar om dieper in te
dringen in den waren stand der zaak, de behoeften te lee-
ren kennen, en naar gelang daarvan maatregelen te ne-
men of voor te bereiden. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl.
1857, bladz. 201 , P Kam. der St.-Gen.)
(e) Ik wensch dat alle autoriteiten zullen zorgen , om
een goed gebruik te maken, van dezen termijn van drie
jaren, en dien zelfs zoo veel mogelijk te bekorten. Wat
de Regering daaraan kan toebrengen, zal zij zeker niet
nalaten. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857, bladz. 202,
1= Kam. der St.-Gen.)
Alt. 71. Aan bijzondere scholen, welke tijdens het in
werking treden dezer wet in het genot zijn van subsidie
van wege de gemeente of de provincie, en niet beantwoor-
den aan de voorwaarden van het lid van art. 3, kan
het subsidie niet langer dan nog gedurende een jaar na
eerstgenoemd tijdstip worden verleend.
Art. 72. (a) In afwachting der wettelijke regeling
van het middelbaar onderwijs zijn de voorschriften dezer
wet mede van toepassing op alles wat betreft het verder
voortgezet onderwijs in de levende talen en in de wis-
en natuurkunde.