Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
214
Aet. 70.
nit het oog verliezen, dat er met die invoering wezenlijke
en groote bezwaren zullen gepaard gaan en dat daarvoor
tijd noodig is. Een jaar verloopt zoo schielijk en daarbij
is het aan het hoofd van het Departement van Binnen-
landsche Zaken niet vergund om zich uitsluitend met dit
onderwerp bezig te houden. (Min. van binnenl. zaken,
Bijbl. 1857, bladz. 1222.)
(e) Veel zal van de bijzondere omstandigheden in elke
localiteit afhangen, hoe vele scholen er in elke gemeente
zullen moeten zijn. Ik heb dus gemeend, niet eenige be-
palingen van finantiëlen aard en werking, maar alle in
hetzelfde artikel te moeten opnemen. Ik moet ook nog
doen opmerken, dat de strekking van de bepaling van dien
termijn geenszins is om tot de gemeente te zeggen, nu
kunnen al die bepalingen drie jaren lang blijven slapen,
in dien tijd zal er niets van behoeven te komen, maar is
eens die termijn daar, dan zult gij moeten zorgen, dat
uwe scholen behoorlijk overeenkomstig de wet zijn inge-
rigt. Dit is geenszins de bedoeUng; zij is integendeel
deze, om alles bedachtzaam, maar met veerkracht voor te
bereiden, en, naarmate men gereed komt, in werking te
brengen. Hiervoor is, meen ik, een termijn van drie
jaren niet te lang. TV'ij moeten wel in aanmerking nemen,
dat het hier geldt, het openbaar onderwijs op een goeden
en solieden voet te regelen. Wanneer wij dat met over-
haasting doen, dan kunnen wij voor jaren veel bederven.
Wanneer wij het daarentegen met bedachtzaamheid en
overleg doen en met raadpleging van de deskundigen, die
echter eerst met 1. Januarij 1858 in dienst zullen treden,
dan geloof ik dat er volgens deze wet iets goeds van het
onderwijs te maken is. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl.
1857, bladz. 1238.)
(e) Vermits nu erkend is, dat de termijn van drie jaren
in der daad in sommige opzigten niet te lang is, maar men
alleen vreest, dat hij aanleiding zal geven tot slapheid en
weinige medewerking van de Gemeentebesturen, geloof ik
dat men best zal doen aan die vrees niet te veel toe te