Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
211
Art. 69.
king treden dezer wet dienstdoende openbare hoofdon-
derwijzers en hoofdonderwijzeressen worden, zoolang zij
hunne betrekking bekleeden in geen geval tot een min-
der bedrag geregeld dan hetgeen zij in de laatste vijf
jaren, aan gemeld tijdstip voorafgegaan, of voor hen
die korter in dienst zijn geweest, over het kortere tijd-
vak, in hunne betrekking, gemiddeld, jaarlijks aan in-
komsten hebben genoten.
Dit art. bepaalt, dat de jaarwedden van de onderwij-
zers , die thans in bediening zijn, nimmer lager zullen
mogen zijn, dan hetgeen zij in de laatste vijf jaren of
over een korter tijdvak gemiddeld hebben genoten; de on-
derwijzers blijven dus krachtens deze bepaling in het ge-
not van hetgeen zij thans hebben, dewijl hun dit daarbij
uitdrukkelijk wordt toegekend. Gevaar, dat de onderwij-
zer bij de regeling minder zon bekomen dan het minimum,
bij de artt. 19, 20 en 51 bepaald, kan niet bestaan, want
bij die regeling mag men zich niet verwijderen van de bij
de wet bepaalde minima; het minimum moet altijd blijven
van ƒ 400 of/200 in de gevallen van artt. 19 en 20, of
nog minder in geval van art. 51. Het was dus niet noo-
dig uit te drukken, dat in geen geval het bedrag van het
inkomen minder zal mogen zijn dan het daar opgenomen
minimum. (Mem. van Beantw. van 16. Junij 1857.)
Indien men kon verzekerd zijn van eene volkomen bil-
lijke schatting, de zaak zou minder bedenkelijk wezen;
maar het is te duchten, dat deze niet overal zou plaats
hebben, en dat het niet bijzonder tevreden zijn al ligt te
ver zou kunnen gaan. Hieraan mogen de hoofdonderwij-
zers niet worden blootgesteld. Bovendien , behooren zij
verwijderd te worden, de wet geeft het middel aan de