Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
209
Art. 58.
voortaan voor het geheele rijk zouden geldig zijn , antwoordt
de min. van binnenl. zaken:
Het komt mij voor, dat de strekking van art. 68 alleen
moet wezen te handhaven die regten, welke de titularis-
sen, op het oogenblik van het in werking treden dezer
wet bezaten, en dus niet, om aan hunne titels meer uit-
gebreide regten te geven, dan deze vroeger hadden. (Bijbl.
1857, bladz. 1241.)
(d en e) Deze alinea's zijn in de wet gekomen op voorstel
van den heer hoynck van papendrecht. Lid van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal, welke daar hij de vol-
gende toelichting voegde:
Ten gevolge van de uitbreiding, op art. 1, aan het
openbaar lager onderwijs gegeven, wat het onderwijs
in de beginselen der levende talen betreft, is het eene
zekere waarheid, dat daaruit voor een aantal gemeen-
ten, vooral de groote, waar het openbaar onderwijs op
eene uitgebreide schaal zal moeten gegeven worden en
meer vakken van onderwijs zal moeten omvatten, dan
in de kleinere, gewigtige bezwaren zullen ontstaan. Aan
die bezwaren zou voor een groot deel kunnen worden
te gemoet komen, wanneer de Gemeentebesturen kon-
den goedvinden om bijv. in die gemeenten, waar het
openbaar lager onderwijs ook zal moeten omvatten het
onderrigt in de beginselen der levende talen, daartoe
gebruik te maken van de in de gemeente aanwezige bij-
zondere scholen der tweede klasse, voor zoover die daar-
toe geschikt worden bevonden. Indien toch de Gemeen-
tebesturen, voor zooverre er bloeijende en goede bijzon-
dere scholen der tweede klasse aanwezig zijn, die konden
overnemen en daaraan het karakter geven van openbare
lagere scholen, dan zou voor een groot deel in het be-
zwaar zijn te gemoet gekomen. Evenwel staat daaraan ^
volgens het ontwerp, e'éne moeijelijkheid in den weg.
Verlangt het Gemeentebestuur daartoe over te gaan en
den hoofdonderwijzer, die aan het hoofd der bijzondere
school is geplaatst, als zoodanig aan te stellen bij de
14