Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
207
Aet. 68.
onderwijzer; die vau schoolliouderes gelijke regten als
de acten van bekwaamheid als hoofdonderwijzeres, doch
alleen binnen de provincie of de gemeente waarin de
acten zijn afgegeven.
(c) De huisonderwijzers en huisonderwijzeressen, Aie,
na dat tijdstip, zich als zoodanig in eene andere ge-
meente wenschen te vestigen, zijn verpligt zich vooraf
aan het examen, vermeld in art. 48, te onderwerpen.
(d) De hoofdonderwijzers der bij het in werking tre-
den dezer wet bestaande bijzondere scholen van de tweede
klasse, welke minstens den tweeden rang bezitten, kun-
nen, indien die scholen door de gemeentebesturen, in
overleg met den districts-schoolopziener als openbare
scholen worden overgenomen, bij die inrigtingen als
hoofdonderwijzers worden aangesteld.
(e) De bepalingen van art. 22 omtrent de voor-
dragt en het vergelijkend examen zijn daarop niet van
toepassing.
(a) Op de vraag: of de onderwijzers van den S''" of
rang zoo zij op dezelfde plaats werkzaam blijven, ooh in
het vervolg in die betrekking behouden kunnen worden'? De
min. van binnenl. zaken antwoordt:
Ik meen, dat het eerste lid van art. 68 het niet twijfel-
achtig maakt, dat de onderwijzers, ook van den en
44en rang, op de plaats, waar zij bij de invoering der wet
zijn, blijven behouden dezelfde regten en aanspraken, die
zij nu hebben. Zij kunnen dus ook in die betrekking wor-
den gecontinueerd. (Bijbl. 1857, 1® Kam. der St.-Gen.,
bladz. 203.)