Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
202
Aet. 65.
besturen; doen zoowel aan deze, als aan den provincia-
len inspecteur de voorstellen, die zij in het belang van
het onderwijs achten; geven dien inspecteur kennis van
al hetgeen hun bij het schoolbezoek belangrijk is voor-
gekomen en verstrekken hem alle inlichtingen, die hij
verlangt; doen jaarlijks voor den Mei een berede-
neerd verslag van den toestand van het onderwijs in
hun district aan den inspecteur en zenden daarvan af-
schrift aan Gedeputeerde Staten der provincie; behar-
tigen de belangen der onderwijzers, bevorderen hunne
bijeenkomsten en wonen die, zooveel mogelijk, bij.
In het stelsel dezer wet, bij den grooten invloed, dien
het Gemeentebestuur op het openbaar onderwijs uitoefent,
kan, naar inzien der Regering, aan den schoolopziener
niet wel eene andere magt worden toegekend dan die,
welke het gevolg is van meerdere kennis en ervaring, en
kan hij, behalve in enkele gevallen, geenen anderen dan
een zedelijken invloed doen gelden. Die invloed moet
evenwel van den anderen kant niet te gering worden ge-
schat, want ook langs dien weg kan de schoolopziener op
het onderwijs en den onderwijzersstand krachtig werken,
vooral ook ten gevolge der openbaarheid, die zijne ver-
slagen zullen erlangen. Maar moet zich alzoo de taak
van den schoolopziener hoofdzakelijk bepalen tot raadge-
ven, vermanen, teregt wijzen, aanwakkeren, wat den on-
derwijzer betreft; tot overleggen, uitnoodigen , overreden ,
belangstelling opwekken, wat de Gemeentebesturen aan-
gaat, dan kan met den hierboven vermelden wensch, dat
hij door alle onder zijn bereik staande middelen ver-
keerde methoden en schoolboeken were, alleen bedoeld
lijn, dat hij dat door zedelyke middelen moet trachten te