Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
Art. 1.
i. liet zingen,
Tot het meer uitgebreid lager ouderwijs wordt gere-
kend het onderwijs in:
h. de beginselen der kennis van de levende talen,
l. die der wiskunde,
m. die der landbouwkunde,
n. de gymnastiek,
0. het teekenen,
p. de handwerken voor meisjes.
Over het minimum van onderwijs op alle openbare lagere
scholen zijn de regering en dc meerderheid (van de leden
der Tweede Kamer der Staten-Generaal) het eens. Beide
brengen daartoe het lezen , schrijven, rekenen, de begin-
selen der moedertaal, der geschiedenis, der aardrijkskunde,
der kennis van de natuur en der vormleer. Maar nu
wenscht de meerderheid, dat bovendien in meer aanzien-
lijke gemeenten, waar dit mogelijk is, het lager onderwijs
op de openbare scholen ook worde uitgebreid tot het regt-
lijnig teekenen, de beginselen der wiskunde , het zingen,
de gymnastiek, dc beginselen der landbouwkunde, en het
onderwijs in de handwerken voor meisjes. AVare het de
bedoeling het onderwijs in dia vakken op elke school ver-
pligtend tc maken, de regering zou geene vrijheid hebben
gevonden aan het voorstel gevolg te geven; maar de bij-
voeging , dat die vakken alleen daar onderwezen zullen
worden, waar er behoefte, aan bestaat en het mogelijk is,
ze te doen onderwijzen, neemt het bezwaar weg. (Mem.
van Beantw. van 16. Junij 1857.)
Ten aanzien van het minimum schijnt geene breedvoerige
toelichting noodig. Moge wel eens zijn beweerd, dat le-
zen, schrijven en rekenen daarvoor voldoende zou zijn,
de Regering vertrouwt dat dit beweren bij slechts weinigen