Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
198
Aet. 63.
nen maken, in eene van welke wierd gehandeld over het
openbaar en in het andere over het bijzondere onderwijs;
maar daaruit volgt niet dat het toezigt in de eene wet
verschillend zou zijn geweest van dat in de andere. Nu
vraag ik of dit art., zooals het daar ligt, grond kan ge-
ven om zich over dat toezigt te bezwaren en of het
vrees kan doen ontstaan, dat het bijzonder onderwijs er
door zal worden belemmerd? Dat art. bepaalt niets an-
ders, dan dat de bijzondere school even goed als de
openbare toegankelijk zal wezen. Deze bepaling zal wel
door niemand worden gewraakt.
Om toezigt uit te oefenen zal wel in de eerste plaats
noodig wezen, dat men de school kunne binnen treden.
Maar, zegt men, men kan allerlei inlichtingen vragen;
de schoolopziener kan verlangen wat hij wil. Ik meen
die stelling te mogen betwisten. Hij kan inlichtingen
vragen, maar hij moet die vragen in verband met de
reden van zijn bezoek, met de pligten van zijn ambt.
Die pligten zullen bij nadere instructien door de Rege-
ring aan de schoolopzieners voorgeschreven worden. En
ik twijfel dan ook niet, of de Regering zal letten op
den bijzonderen toestand, waarin het bijzonder onderwijs
verkeert, op de verschillende eischen, van het openbaar
en van het bijzonder onderwijs. Ik meende zekerheid te
kunnen geven, dat althans in het vragen van die inlich-
tingen , die mate van bescheidenheid zal gevorderd wor-
den, welke overeenkomstig is, met de strekking van de
wet, met de strekking van de Grondwet, die het ge-
ven van het onderwijs vrijgemaakt heeft en dus zeker
niet wil, dat in het toezigt een middel tot beperking ge-
vonden worde.
Daarenboven, de schoolopzieners zullen volgens deze
wet beëedigd worden. Ook daarin ligt een waarborg, dat
zij de instructiën hun door de Regering te geven, behoor-
lijk zullen naleven. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857,
bladz. 1210.)
(b) Men heeft gevraagd waartoe inlichtingen wegen.5