Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
197
Art. 63.
verdere tusschenkomst dan eene raadgevende worden toe-
gelaten? (Voorl. Versl. van 22. Mei 1855.)
(a) Het toezigt voor de beiderlei soort van scholen is
gelijk. De slotbepaling van art. 194 der Grondwet legt
van zelf de verpligting op, dat alle verlangde opgaven
omtrent den toestand der bijzondere scholen worden ver-
strekt. In het belang van het bijzonder onderwijs zelf
is het hoogst wenschelijk , dat uit het oogpunt van toe-
zigt de beiderlei scholen op dezelfde lijn worden ge-
steld. Niet zelden zou de bijzondere onderwijzer nog
meer behoefte hebben aan raad en voorlichting, dan de
openbare. Voor botsingen behoefde geene vrees te be-
staan, mits slechts de schoolopziener doordrongen ware
van den aard zijner roeping. Het ligt, gelijk reeds
vroeger werd aangemerkt, op zijnen weg, om alleen ze-
delijken invloed uit te oefenen. Bevelen heeft hij niet te
geven, evenmin op de bijzondere als op de openbare
school. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(a) Het komt mij voor, dat de bepaling van art. 63
geen bezwaar kan inboezemen. Daar toch wordt gespro-
ken van scholen , en de inrigtingen in de gevangenissen,
waar onderwijs aan de gevangenen wordt gegeven, kun-
nen toch niet worden gerangschikt, noch onder de open-
bare scholen, waarvan deze wet gewaagt, noch onder de
bijzondere scholen. (iMin. van binnenl. zaken, Bijbl. 1857,
bladz. 1046.)
(a) Het toezigt van de overheid is geplaatst naast de
vrijheid, die de grondwet verzekert; en aan dat toezigt
heeft de grondwet als het ware de eerste rang toegekend
onder beperkingen, welke zij aan de vrijheid stelt. Ik
geloof dus dat daaruit geene reden is af te leiden,
waarom het toezigt op het bijzonder onderwijs een ander
zou moeten wezen dan dat op de openbare school. De
grondwetgever heeft aan den bijzonderen wetgever over-
gelaten , dat toezigt te regelen, maar hij heeft geen ver-
schil tusschen de beide soorten van dat toezigt aangewe-
zen. Het is mogelijk, dat men tweederlei wet had kun-