Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
194
Aet. 60 en 61.
Art. 60. De inspecteurs bekleeden geene ambten of
bedieningen zonder Onze toestemming.
Dispensatie zal ongetwijfeld in het stelsel dezer wet
uiterst zeldzaam, vooral wat de inspecteurs betreft in aan-
merking kunnen komen, maar een algemeen verbod, om
geene andere ambten of bedieningen te bekleeden, zou
welligt later bevonden worden , noodeloos streng te zijn.
Daarom heeft de regering het wenschelijk geacht, althans
het beginsel van dispensatie in de wet op te nemen, al
moge dan ook de toepassing zich tot zeer enkele gevallen
bepalen. (Mem. van Toel. van 21. Febr. 1857.)
Art. 61. (a) De leden der plaatselijke schoolcommis-
siën, de schoolopzieners en de inspecteurs leggen, bij
de aanvaarding hunner betrekking, den eed of de be-
lofte af, dat zij haar naar behooren en getrouw zullen
waarnemen.
(b) De eedsaflegging of belofte geschiedt door de leden
der plaatselijke schoolcommissiën in gemeenten van 3000
zielen en daarboven in handen van den burgemeester,
in de overige gemeenten in handen van den regter van
het kanton waarin zij wonen, door de schoolopzieners
in handen van Onzen Commissaris in de provincie,
door de inspecteurs in handen van Onzen Minister van
Binnenlandsche Zaken.
(a) De betrekking van een lid eener plaatselijke school-
commissie is op zich zelve wel niet van dien aard, om