Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
190
Art. 55 em 56.
verknocht en die eigenaardige bezwaren met zich brengt,
niet zeer begeerlijk. Het zou echter, men twijfelt er niet
aan , gezocht worden; maar niet door hen, die uitsluitend
voor de betrekking geschikt zijn. Meestal zouden jeugdige
personen, aankomende regtsgeleerden bijv., wien het min-
der om de bevordering van zulk een gewigtig volksbelang
als het lager onderwijs, dan om het ambt te doen is,
daarnaar dingen. De zoodanigen zouden in den regel niet
aan hetgeen men van een schoolopziener vorderen mag,
beantwoorden. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(b) Bij eene zorgvuldige keus zou, meent men, het
stelsel goed kunnen werken. Het getal der schoolopzie-
ners zou daardoor niet heel groot worden. Zulk een ge-
tal van voor de betrekking ten volle geschikte personen
zou wel te vinden zijn , mits men de betrekking aanneme-
lijker maakte. Voor mannen, die geen vermogen hebben,
maar met de zaak van het volksonderwijs hoog ingenomen
zijn , zou die toelage een genoegzame prikkel zijn, om
zich daarvoor opoffering van veel tijd te getroosten.
{Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(b) Bij de keuze van schoolopzieners zal er kunnen
gelet worden, of zij in eene betrekking zijn waarmede het
schoolopzienerschap niet wel vereenigbaar is; mogten zij ^
eenmaal benoemd, zoodanige betrekking aanvaarden, en
dien ten gevolge de belangen van het onderwijs ver-
waarloozen, de bepaling, dat zij ten allen tijde kunnen
worden ontslagen, geeft het middel tot voorziening aan
de hand. Voor den provincialen inspecteur daarentegen
wordt het verbod noodig geacht. (Mem. van Beantw. van
16. Junij 1857.)
Art. 56. (a) De schoolopzieners worden door Ons
benoemd voor den tijd van zes jaren.
(b) De aftredenden zijn weder benoembaar.
(c) Zij kunnen ten allen tijde door Ons worden ontslagen.