Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
188
AßT. 54.
Dit te bepalen behoort tot de bevoegdheid van den
Gemeenteraad. Er kan daaruit wel eenige ongelijk-
heid geboren worden, maar ik kan niet inzien, dat dit
schadelijk zal wezen voor het onderwijs. Elke Gemeen-
teraad moet weten, wat ten dezen het meeste met
de belangen zijner gemeente overeenkomt, en of hij de
functiën van plaatselijke schoolcommissie zal opdragen,
aan een collegie, dat voor langer of korter tijd zal
zijn aangesteld. (Bijbl. 1857, bladz. 202, 1= Kam. der
St.-Gen.)
(c) Die opneming strekt tot bevordering van den bloei
van het openbaar onderwijs. Grootere belangstelling in
die gewigtige aangelegenheden, meer neiging om daaraan
de vereischte ondersteuning te schenken, zal in den Ge-
meenteraad heerschen, als zich te midden daarvan woord
voerders bevinden, door het vervullen eener andere be
trekking met al de behoeften en met den eigenlijken toe
stand der gemeentescholen in alle bijzonderheden bekend
De ondervinding heeft dat in moer dan eene grootere ge
meente bewezen. Zoo in sommige gemeenten, zeer bij
zondere zorg voor de armenscholen gedragen wordt en
eenige zich in eenen zeer bloeijenden toestand bevinden,
is dit vooral ook daaraan toe te schrijven, dat de bij-
zondere collegiën van toezigt over die scholen geheel of
grootendeels uit raadsleden zijn zamengesteld. (Voorl.
Versl. van 22. Mei 1855.)
(c) Onnoodig acht de Regering de bepaling, dat het
lidmaatschap van plaatselijke schoolcommissie onverecnig-
baar is met dat van Gemeenteraad, dewijl ten opzigte van
aanzienlijke gemeenten geen vrees behoeft te bestaan, dat
de raad, met voorbijgang van meer geschikte personen,
alleen zijne eigene leden in de schoolcommissie zal doen
optreden en onraadzaam, omdat het geval denkbaar is,
dat de voor die betrekking geschikte personen allen, of
schier allen, zitting hebben in den Gemeenteraad en het
verbod dan belemmering zou aanbrengen. (Mem. van Toel.
ran 21. Febr. 1857.)