Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
187
Art. 54.
(b) Schoon het toezigt der plaatselijke schoolcommissie
zich tot alle scholen in de gemeente moet uitstrekken;
heeft de gemeenteraad toch vrijheid over enkele openbare
scholen bovendien een bijzonder collegie aan te stellen, dat
zich meer bijzonder hare belangen aantrekt en die tracht
te bevorderen. (Mem. v. ïoel. van 30. Dec. 1855.)
(b) De Regering vreest niet voor botsingen, wanneer
ergens . behalve de plaatselijke schoolcommissie , nog eene
andere commissie werkzaam is, van gemeentewege meer
bijzonder met de zorg voor deze of gene openbare school
belast. (Mem. van Toel. 21. Febr. 1857.)
(b) Zoo aan de plaatselijke schoolcommissiën een deel
van het rijkstoezigt wierd toevertrouwd, dit moet echter
niet op zoodanige wijze plaats hebben, dat de schoolop-
ziener uitgesloten wordt. Het zou verkeerd zijn het to
veel op do werking dezer commissiën te laten aankomen,
ook omdat de Regering geen regtstreekschen invloed op
hare handelingen kan uitoefenen. (Voorl. Versl. van 6.
April 1857.)
(b) Aangaande het behoud van de tegemvoordige commis-
siën over bepaalde scholen in de groote gemeenten wordt het
volgende aangemerkt :
Bijzondere commissiën over scholen kunnen in groote
gemeenten gewigtige diensten bewijzen. Maar men wil
in 't oog doen vallen, dat het door haar geoefend toezigt
uit den aard der zaak steeds van meer plaatselijken aard
zal zijn, en dat haar bestaan de noodzakelijkheid van het
rijkstoezigt op eene afdoende wijze te regelen, geenszins
uitsluit. (Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(b) Het is aan den Gemeenteraad to bepalen of [de
leden der plaatselijke schoolcommissiën] al dan niet pe-
riodiek zullen aftreden, en zoo ja, voor hoeveel tijd de
benoeming telkens goschiodt. (Mem. van Beantw. op het
Versl. 1° Kam. St.-Gen. van 9. Aug. 1857.)
(b) De vraag: o/ de schoolcommissiën tijdelijk moeten wor-
den benoemd of levenslang ? wordt door den minister van
binnenl. zaken dus beantwoord: