Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
183
Art. 51.
(c) Er komen tweederlei soort van mindere scholen in
aanmerking, de scholen namelijk van 70 kinderen of daar
beneden, en de scholen, die de derde alinea van art. 51
in de eerste plaats op het oog had: die kleine scholen
in Drenthe, waarin alleen des winters eenige kinderen,
ten getale van 20 of 25, onderwezen worden, maar waar-
van de sporen in den zomer, zoo ik meen, verdwijnen.
Wanneer art. 20 nu ook op deze scholen moest worden
toegepast, zouden de hulponderwijzers, aan het hoofd van
die scholen geplaatst, ook een tractement van ƒ 200 moe-
ten genieten, en dat zou, geloof ik, tegen de bedoeling
zijn; die onderwijzers, die maar een korten tijd van het
jaar werkzaam zijn, kunnen zich met eene veel geringere
bezoldiging tevreden stellen. (Min. van Binnenl. Zaken,
BijbL 1857, bladz. 1210.)
(c) Ik heb er over nagedacht of het mogelijk zou zijn,
door hier de woorden eener school te laten staan, zonder
bijvoeging van het woord openbare, het middel te vinden,
waarop gedoeld wordt door hen, die voor het bijzonder
onderwijs eenige meerdere ruimte en vrijheid zouden wil-
len erlangen; maar ik ben terug gedeinsd voor de bezwa-
ren , welke ik juist daarin zou gelegen achten om den
Koning in de moeijelijkheid te brengen, uitzonderingen
ten deze te verleenen. Ik geloof, dat wij alles moeten
vermijden wat de mogelijkheid zou doen ontstaan, dat
dergelijke uitzonderingen aan den Koning zouden worden
aangevraagd. Dit toch zou aanleiding geven tot een ge-
durige strijd en botsing. Is men te ruim in het verlee-
nen van de uitzondering, dan zal het doel geheel worden
gemist. Is men daareiite^^en te streng in de toepassing
der bepaling, ook dan zal het oogmerk niet worden be-
reikt, dewijl men aanleiding zou geven tot het doen
ontstaan van wrevel en misnoegen, wanneer het verlan-
gen niet wordt ingewilligd. En daar men nu inderdaad,
zoo als de bepaling luidde, zou kunnen meenen, dat de
bevoegdheid des Konings ook het regt zou omvatten om
een hulponderwijzer te vergunnen aan het hoofd eener