Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
178
Art. 49 en 50.
meesters zijn of wel zangmeesters, de gelegenheid te ope-
nen om in de scholen onderwijs te geven. Ten opzigte
van het rekenen heeft de Regering vooral het oog op
de meisjesscholen. Daar wordt dikwijls behoefte gevoeld
aan een goed onderwijs in het rekenen en ik geloof, dat
het daarom wenschelijk zou zijn om aan huisonderwijzers,
die rekenmeesters zijn, de bevoegdheid te geven om op
scholen te onderwijzen. (IVIin. van Binnenl. Zaken, Bijbl.
1857, bladz. 1210.)
(a, b en c) Op het voorstel van den heer sloet tot
OLDUüis, lid van de tweede kamer der Stat.-Generaal,
dat alle aden van hehwaamheid, benoeming, processenverhaal,
en overige schriften, het onderwijs betreffende, vrij moeten zijn
van zegel, antwoordt de min. van finantiën:
Wat de zaak van het zegel betreft, wil ik gaarne onder-
zoeken, hoe verre de koninklijke magt reikt, om vrijdom
van zegel te verleenen. Het verleenen van vrijdom van
registratie valt binnen die bevoegdheid, alhoewel daar
spaarzaam gebruik van wordt gemaakt; maar met betrek-
king tot het zegel zou ik dit niet zoo onvoorbereid durven
verzekeren. Ik zal gaarne overwegen, in hoeverre de
Regering aan dat verlangen zou hebben kunnen te gemoet
komen. (Bijbl. 1857 , bladz. 1231.)
Art. 50. (a) De acte van bekwaamheid wordt uitge-
reikt tegen betaling van:
tien gulden voor die van hoofdonderwijzer en die van
hoofdonderwijzeres;
vijf gulden voor die van hulponderwijzer en die van
hulponderwijzeres;
vijf gulden voor die van huisonderwijzer en die van
huisonderwijzeres in meer dan één vak;
drie gulden voor die van huisonderwijzer en die van
huisonderwijzeres in één vak.