Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
173
Aut. 44.
de leerlingen tot de kennis der letters, cijfers cn eerste
grondbeginselen en voorts tot de kunst van lezen, schrij-
ven en rekenen , zal pogen op te leiden; wordende ver-
volgens het verhaal eener geschiedenis of eene vertelling
voorgelegd, ten einde de geschiktheid te toetsen in het
duidelijk en klaar voorstellen eener zaak aan kinderen"
enz. Ik meen, dat dit begrepen is in de beginselen van
het onderwijs ; ik zou daaraan geen anderen zin en be-
teekenis kunnen geven en geloof dus, dat met de bepa-
ling der wet datgene wordt bereikt hetgeen men beoogt.
(Min. van Binnenl. Zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1198.)
(a tot i) liet is aan de Eegering voorgekomen, dat
aan eene uitvoerige aanwijzing in de wet, hoe ver het
examen in elk vak zich behoort uit te strekken, en aan
eene juiste afbakening der grenzen van bekwaamheid
tusschen de categorien van onderwijzers, zoodanige over-
wegende bezwaren verbonden zijn, dat het verkieslijk
mag worden geacht dit denkbeeld te laten varen en zich
te bepalen bij eene algemeene vermelding. Ook schijnt
te mogen worden betwijfeld, of de eischen voor de on-
derwijzeressen in het algemeen lager behooren te worden
gesteld dan voor de onderwijzers. Wel moet het onder-
wijs op de scholen voor meisjes zich eenigzins wijzigen
naar de bestemming van deze, en daarbij ook gelet wor-
den op de noodzakelijkheid, dat zij zich oefenen in de on-
ontbeerlijke vrouwelijke handwerken; terwijl ook het on-
derwijs welligt van minder omvang moet zijn dan op de
scholen voor jongens: maar op het onderzoek naar de
bekwaamheid der onderwijzeressen schijnt dit van geen
belangrijken invloed te kunnen zijn. (Mem. van Toel. 21.
Febr. 1857.)
(a tot i) De Commissie moet aanvullen wat de wet niet
wel kan voorschrijven, maar alleen in dien zin, dat zij
voor elke soort van acte eenen maatstaf aanneemt, die op
allen, zonder onderscheid des persoons, wordt toegepast.
(Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(a tot i) Wanneer art. 44 met oordeel wordt gelezen,