Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
Inletding.
Het verband, vereischt tusschen de deelen van een zamen-
Langend geheel, kan op die wijze beter worden bewaard.
De zorg voor de onschendbaarheid van al wat tot het
gebied des gewetens behoort, is eene der voorvaderlijke
overleveringen van mijn stamhuis. Zij heeft ook mij be-
wogen, alsnog naar middelen om te zien, ten einde de
bezwaren van zeer velen, tegen de ontworpene regeling
van het volksonderwijs, zoo veel mogelijk op te heffen.
Ik wensehte met uwe hulp aan Nederland schoolinrig-
tingen te verzekeren, in welke liet godsdienstig karakter
der natie, sinds eeuwen door het Christendom gevormd en
ontwikkeld, wordt geëerbiedigd, en tevens de eisch der
wetenschap en het beginsel der volkseenheid worden ge-
huldigd.
Kort hierna verklaart de minister van binnenl. zaken?
bij de beraadslaging over het adres van antwoord, dat
het de stellige overtuiging van de Regering is, dat het
voorschrift der grondwet, omtrent de regeling van de
inrigting van het openbaar onderwijs, eerlang spoedige
uitvoering moet verkrijgen.
Den 22. Nov. 1856 verklaart de minister van binnenl.
zaken, dat hij geen bepaald tijdstip voor de indiening van
de wet op het onderwijs kan opgeven, dat dergelijke
onderwerpen niet als een openbaar werk kunnen worden
aanbesteed en aangenomen. De minister van justitie,
M^ j. j. l. van der bruggiikn Ondersteunt hetgeen zijn
ambtgenoot heeft beloofd, omtrent de indiening van het
zoo zeer gewenschte ontwerp. Ook over de beginse-
len der wet is de minister van justitie ongenegen om zich
uit te laten.
Den 11. Dec. 185G werd tijdelijk tot minister van bin-
nenl. zaken benoemd M^ a. g. a. van rappard , nadat
hoofdstuk V, staatsbegrooting binnenl. zaken, door de
Tweede Kamer was verworpen.
Den 19. Dec. 1856 zegt de minister van justitie: Vol-
gens het oorspronkelijke plan zouden de drie takken van
het lager onderwijs te gelijk voorgedragen worden; maar