Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
169
Art. 44.
alvorens het onderwijs te verstrehken, een examen af te leggen
in al de vakken bij art, 44 omschreven'! De Min. van
Binnenl. Zaken antwoordt:
Zoo die persoon wil optreden als hoofd- of hulponder-
wijzer, ja, dan is hij verpligt examen af tc leggen in al
die vakken. (Bijbl. 1857, bladz. 1198.)
(a) Op de vraag: Of een geëxamineerd onderwijzer in
een bijzonder vak ook eene school mag openen voor onderwijs
enkel in dat vak? antwoordt de Min. van Binnenl. Zaken;
Kan hij, die eenvoudig toont goed te kunnen lezen, of
eene schoone hand te schrijven, gezegd worden de be-
kwaamheid te bezitten om het onderwijs der jeugd en hare
opleiding tot maatschappelijke en Christelijke deugden op
zich te kunnen nemen? De Regering althans kan van dit
standpunt niet uitgaan. Zij meent te moeten volhouden,
dat de bedoeling van art. 194 der Grondwet, geene andere
is geweest, dan die mate van vrijheid te geven, dat hij,
die toont bekwaam onderwijzer te zijn, eene bekwaamheid,
aan te wijzen en te regelen door de wet, — vrij zal zijn
in het geven van onderwijs. Dat is de bedoeling der
Grondwet. (Bijbh 1857, bladz. 1198.)
(b) Ilet aangenomen stelsel der programmata voor de
examens in het algemeen brengt mede, dat alleen de
vakken worden genoemd, en dat aan de examinatoren
wordt overgelaten om, in verband met de roeping der
geëxamineerden, te beslissen welke mate van kennis in
ieder vak gevorderd wordt, maar op dien regel is reeds
eene uitzondering gemaakt voor het rekenen , en het
schijnt niet ongepast, ook ten aanzien der Nederlandsche
taal eenigzins nader aan te wljzan wat van den geexa-
mineerde wordt verlangd. (Mem. v. Beantw. van 16. Junij
1857.)
(e) Men wensehte het duidelijker te doen uitkomen,
dat alleen met opzigt tot het rekenen van den hulpon-
derwijzer meer wordt gevorderd dan van de hulponder-
wijzeres. (Voorl. Versl. van 6. April 1857)
(f) De Regering is van oordeel, dat ook de begin-