Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
162
Art. 41.
(b) De commissie houdt hare zittingen in de hoofd-
plaats der provincie. Zij is bevoegd zich door deskun-
digen te doen bijstaan.
(c) De aanwijzing der schoolopzieners en de bepaling
van den tijd, waarop de commissien vergaderen, geschiedt
door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
(d) De examens worden in het openbaar gehouden,
met uitzondering van die der onderwijzeressen.
(a) Het stelsel, hetwelk de vermeerdering van het be-
staande aantal schooldistricten en schoolopzieners mede-
brengt , biedt de gelegenheid aan om de examinerende
commissien in dier voege in te rigten, dat de taak goed
en zonder bezwaar vervuld kunne worden. Is er een aan-
zienlijk aantal schoolopzieners, niet alleen biedt de za-
menstelling dezer commissiën geen bezwaar aan, maar ook
het toezigt kan door het verkleinen van den werkkring
der schoolopzieners beter uitgeoefend worden dan tegen-
woordig , en zoodoende de voordeden opleveren waarop
in het Voorloopig Verslag van 1856 is gewezen. (Mem.
V. Beantw. van 16. Junij 1857.)
(a) De schoolopzieners verkrijgen door het afnemen der
examens, een zedelijken invloed op de aankomende onder-
wijzers van hun district, waaraan men bijzonder veel hechtte.
In dien zedelijken invloed lag de ware grondslag voor een
goed schooltoezigt. Een goed schoolopziener behoorde den
aankomenden onderwijzer in zijn district van diens eerste
schrede op zijne loopbaan af te kennen, hem voortdurend
daarop te volgen en ter zijde te staan. (Voorl. Versl.
van 22. Mei 1855.)
(b) Werd dit denkbeeld gevolgd, om de commissien te
magtigen tot het inroepen der medewerking van deskun-
digen bij de examens, en kon dus de commissie zich voor