Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
Inleiding.
Het bevatte 61 artikelen. Het christelijk beginsel bij
het onderwijs werd er niet in opgenomen.
In April 1856, verklaarde de minister van biiitenland-
sche zaken, M'. f. a. van hall, dat het ministerie pal
stond, wat de beginselen van de wet op het onderwijs betrof.
Er kwamen onderscheidene petitiën in tegen dit ontwerp
van wet op het onderwijs bij de Tweede Kamer der Sta-
ten-Generaal.
Den 28. April 1856 werden genoemde petitiën door JP.
g. groen van prinsterer in bescherming genomen, met
verzoek daaromtrent een algemeen verslag in te leveren,
welk verzoek werd gewezen van de hand.
Den 29. April 1856 werd door de Tweede Kamer der
Staten-Generaal het voorloopig verslag op het ontwerp
van wet op het lager onderwijs uitgebragt, hetwelk in
vele opzigten de goedkeuring der meerderheid wegdroeg,
ook wat het beginsel van het onderwijs betreft.
Eene menigte petitiën kwamen in i\Iei en Junij 1856,
in de verwachting, dat het ontwerp van wet in de Tweede
Kamer in beraadslaging zou komen, en dat het de goed-
keuring zou wegdragen, bij Z. M. den Koning in tegen
de wet op het onderwijs; voornamelijk ook tegen het
verwaarloozen van het christelijk beginsel bij het onder-
wijs. Het gevolg was:
Den 24. Junij 1856 werd D"". g. sniONS tot minister van
binnenl. zaken benoemd. ,
Den 5. Julij werden de zittingen der Staten-Generaal
gesloten, bij welke sluiting de minister van binnenl. za-
ken, namens Z. M. den Koning, te kennen gaf, dat de ge-
moedsbezwaren tegen het ontwerp van wet op het lager
onderwijs, van velen in den lande, aanleiding hadden ge-
geven, dat er middelen zouden aangewend worden, om
deze bezwaren weg te nemen.
In de troonrede, van 15. September 1856, gaf Z. M. de
Koning te kennen:
De wetten tot regeling van de drie takken van openbaar
onderwijs zullen aan u gezamenlijk worden voorgelegd.