Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
159
Art. 33.
die uitdrukking liier i.s opgenomen naar aanleiding van het
Voorloopig Verslag omtrent het ontwerp van 1854, welk
Verslag zelfs nog verder wilde gaan en ook de versprei-
den van heillooze begrippen strafbaar hebben gesteld. De
Regering acht evenwel het geopperde bezwaar niet onge-
grond en de uitdrukking op zich zelve minder juist. De
bedoeling is niet twijfelachtig en ook in het Voorloopig
Verslag op het laatste ontwerp met juistheid geschreven.
Men wil beletten, dat de onderwijzer zijne betrekking mis-
bruike om door lessen of gesprekken zijne leerlingen tot
verzet en ongehoorzaamheid aan de wetten des lands aan
te sporen. Het schijnt dus verkieslijk in plaats van: lee-
ringen strijdig met de wetten des lands, te zoggen: lee-
ringen aansporende tot ongehoorzaamheid aan de wetten
dos lands, en het artikel is alzoo dienovereenkomstig ge-
wijzigd. (Mem. van Toel. 21. Febr. 1857.)
(a) Er rees bezwaar, dat dit artikel een onregtmatig
verschil van toestand tusschen den bijzonderen en den
openbaren onderwijzer teweeg brengt. De bijzondere on-
derwijzer wordt, als hij bij zijn onderwijs leeringen ver-
spreidt, strijdig met do goede zeden of aansporende tot
ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, met het ver-
lies zijner bevoegdheid gestraft. Omtrent den openbaren
onderwijzer is niets dergelijks bepaald. Niet slechts ligt
daarin strijd met het beginsel der gelijkheid van allen voor
de wet, maar men vreesde steeds, dat de bedreiging tegen
eene bepaalde klasse van onderwijzers op noodelooze of
onverdiende kwelling van dezen zou uitloopen. (Voorl.
Versl. van 6. April 1857.)
(a) Een onderwijzer kan, door dweependen ijver voor
het een of ander stelsel vervoerd, op de school ongehoor-
zaamheid aan 's lands wetten prediken en toch een naauw-
gezet zedelijk man zijn. Daarentegen leert de dagelijksche
ondervinding, dat maar al te dikwijls bij de afgifte van
getuigschriften van goed gedrag, zwakheid of verkeerd
geplaatste barmhartigheid in het spel komt. Het gemeente-
bestuur kan in het hier bedoelde geval er prijs op stellen.