Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
158
Art. 39.
bijzonder schoolonderwijs of van huisonderwijs , leeringen
verspreiden, strijdig met de goede zeden of aansporende
tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands, kunnen,
op voordragt van burgemeester en wethouders, van de
plaatselijke schoolcommissie of van den districts-schoolop-
ziener, door Gedeputeerde Staten worden verklaard hun-
ne bevoegdheid tot het geven van onderwijs verloren te
hebben.
(b) Deze bepaling is ook van toepassing op de on-
derwijzers , die zich aan een ergerlijk levensgedrag
schuldig maken.
(a) Zou het niet noodig zijn te bepalen, dat een on-
derwijzer, die, hetzy in eene bijzondere school, hetzij bij
het onderwijs aan de huizen der ingezetenen, heillooze be-
grippen aan zijne leerlingen inscherpt of leeringen ver-
spreidt, strijdig, met de goede zeden en met de wetten
des lands, zonder zich daarom aan ergerlijk levensgedrag
schuldig te maken , de bevoegdheid tot het geven van
onderwijs verUest? (Voorl. Versl. vhn 22. Mei 1855.)
(a) Het vooraf hooren van den onderwijzer zal, ook
zonder uitdrukkelijk voorschrift der wet, uit den aard
der zaak plaats hebben. Het is niet denkbaar, dat, hetzij
Gedeputeerde Staten , hetzij de Koning, zoodanig voor
den onderwijzer gewigtig besluit zullen nemen, zonder den
beklaagde te hooren. De bevoegdheid tot hooger beroep
op den Koning kan, na de wijziging in art. 13 gebragt,
niet meer twijfelachtig zijn. (Mem. van Toel. 21. Febr.
1857.)
(a) De bedenking is geopperd, dat aan de uitdrukking;
leeringen strijdig met de wetten des lands, eene te ruime
uitlegging te geven ware. Men zal zich herinneren, dat