Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
151
Abt. 34 en 35.
's Rijks directe belastingen gesteld of te stellen, ten aan-
zien der waarschuwing en aanmaning van den belasting-
schuldige , der inlegering bij en van het dwangbevel tegen
hem, gelden voor de invordering der plaatselijke belas-
tingen.
Daarbij gelden insgelijks de bepalingen dier wet, om-
trent de kosten van vervolging.
Art. 261. De beteekening van stukken, betreffende ver-
volging van plaatselijke belastingen, geschiedt door een
ambtenaar, daartoe door burgemeester en wethouders aan
te wijzen.
Art. 262. De plaatselijke belasting, die niet binnen drie
jaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij verschuldigd,
of waarop de laatste acte van vervolging beteekend was,
werd ingevorderd, is verjaard.
(b) Men stelde prijs op de bepaling dat het schoolgeld
voortaan overeenkomstig art. 257 tot 262 der gemeente-
wet zal worden ingevorderd. Naar hunne opvatting wordt
daardoor het innen der schoolgelden door den onderwij-
zer zelveu afgesneden. Hij wordt dus ontslagen van eene
lastige verrigting, die hem tegen over de ouders in eene
afhankelijke stelling plaatst, en tevens minder blootge-
steld aan verlies op zijn veranderlijk inkomen. Er be-
staat toch meer kans voor naauwgezette, regelmatige vol-
doening der schoolgelden, als deze bij den gemeente-ont-
vanger moeten worden gestort. (Voorl. Versl. van 22.
Mei 1855.)
Art. 35. (a) Voor de kinderen van dezelfde klasse
eener school is het schoolgeld gelijk.
(b) Voor twee of meer kinderen uit één gezin,
gelijktijdig ter school gaande, kan het bedrag lager
worden gesteld.
(a) B^' de bepaling van het .«nlioolseld mag noch liet