Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
150
Akt. 34.
gaande niet geheven, dan na op nieuw door Ons te zijn
goedgekeurd.
Art. 236. De door den Raad vastgestelde en door Ons
goedgekeurde bepalingen, betreffende de plaatselijke belas-
tingen , worden, zoo zij met de wetten of het algemeen
belang strijdig zijn, op dezelfde wijze, waarop zij zijn
gemaakt, onverwijld ingetrokken.
Bij gebreke dier intrekking, kunnen zij door eene wet,
die tevens, zoo noodig, de gevolgen regelt, worden ge-
schorst of vernietigd.
(a en b) Blijkens dit artikel wordt het schoolgeld door
de Regering als eene plaatselijke belasting beschouwd en
moet alzoo het invoeren, wijzigen, afschaffen en invorderen
van hetzelve geschieden volgens de regelen door de ge-
meentewet ten aanzien van plaatselijke belastingen vastge-
steld. Deze wijze van handelen, door velen gev/enscht en
aangeprezen, is ook daarom te meer noodig, omdat, vol-
gens het bij dit ontwerp aangenomen stelsel het schoolgeld
niet langer aan den onderwijzer zal worden uitbetaald,
maar in de gemeentekas gestort ter bestrijding of in min-
dering van de uitgaven, waartoe de gemeente ter zake
van het openbaar onderwijs is verpligt. (Iklem. v. Toel.
van 30. Dec. 1855.)
(b) Deze artt. zijn van den volgenden inhoud:
Art. 258. Tegen hem, die nalaat de door hem verschul-
digde plaatselijke belasting vóór of op den verschijndag
te betalen, wordt door den ontvanger, dien het aangaat,
een dwangbevel afgegeven, medebrengende het regt, om
de roerende en onroerende goederen des schuldenaars zon-
der vonnis aan te tasten.
Art. 259. De ontvanger geeft het dwangbevel niet af,
dan na den belastingschuldige te hebben gewaarschuwd en
vervolgens aangemaand.
Hij kan den nalatigen belastingschuldige, alvorens hem
een dwangbevel af te geven, door inlegering van een
krijgsman tot betaling dwingen.
Art. 260. De regelen, bij de wet op de invordering van