Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
143
Art. 33.
worden gesteld. Vermits de ouders in do allereerste
plaats belang hebben bij de goede opvoeding hunner kin-
deren , mag hun daarvoor wel eenig offer worden gevergd.
De betaling van eenig schoolgeld verhoogt de belangstel-
ling der ouders in het onderwijs hunner kinderen en be-
vordert eenen getrouwen schoolgang. In den regel schat
men datgene, waarvoor men iets betaalt, meer op prijs
dan hetgeen men voor niet verlangt. Niet minder komt in
aanmerking, dat volgens den geest der Grondwet de open-
bare lagere scholen wol door voortreffelijkheid van inrig-
ting en deugdelijkheid van onderwijs geschikt moeten zijn
om de mededinging met de bijzondere scholen door to
staan, maar toch het bestaan van zulke scholen niet on-
mogelijk behooren te maken. (Voorl. Versl. van 22.
Mei. 1855.)
(a) De Regering acht het in allo opzigten verkieslijk,
dat do onderwijzer niets met het schoolgeld te maken
hebbe. (Mem. v. Toel. van 30. Dec. 1855.)
(a) Onder de hulpmiddelen, welke, behalve de reeds ge-
noemde, kunnen bijdragen om de gemeente te gemoet te
komen in den last harer uitgaven voor het onderwijs,
behoort ook het schoolgeld. Naar inzien der Regering is
het niet dan billijk dat door of ten behoeve van hen, die
van de openbare school gebruik maken, daarvoor worde
betaald. Wel hebben alle ingezetenen dor gemeente er
belang bij, dat aan de kinderen daar aanwezig onderwijs
worde gegeven, maar die kinderen en hunne ouders in
de eerste plaats. Van hen behoort dus eene bijdrage in
de kosten te worden gevorderd. Die bijdrage, dat school-
geld, zal evenwel matig moeten worden gesteld en het
belang dor gemeente brengt het ook mede die som niet te
hoog op te voeren, dewijl anders de openbare school
minder zou worden bezocht.
In dezen geest is dit art. gesteld. Na die opheldering
zal hot duidelijk wezen, dat de uitdrukking: ter geheele
bestrijding alleen zien kan op het geval, dat de kosten
reeds grootendeels gevonden zijn uit gelden buiten bezwaar