Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
139
Aet. 81.
verleenen van die inkomsten hebben. (Mem. v. Beantw.
van 16. Junij 1857.)
De Regering heeft zich bij het ontwerpen van art. 31
de vraag voorgesteld, of er van de zijde dier gemeenten
een regt bestond om die subsidiën te vorderen , of, met
andere woorden, die subsidie welke tot dusverre beschouwd
werden te zijn eene gunst, door den Staat aan die ge-
meenten bewezen, door de wet moesten worden besten-
digd. Die vraag heeft de Regering gemeend ontkennend
te moeten beantwoorden. De Regering heeft speciaal
moeten letten op het besluit van den Sonvereinen Vorst
van Maart 1814, en men zal mij moeten toestemmen dat
in dat Souverein besluit geene erkentenis voorkomt van
het regt der gemeenten op de toelagen. Er wordt uit-
drukkelijk in gereserveerd eene nadere beslissing. Er was
geene nadere beslissing noodig, of zelfs in het verschiet
aan te wijzen geweest, indien destijds bij de Regering
had bestaan de overtuiging dat de Staat verpligt was die
subsidiën te blijven betalen. De Regering daarvan uit-
gaande heeft gemeend, dat het regt der gemeenten ook
niet bij de wet moest worden erkend. Eene andere vraag
evenwel was het, of de billijkheid medebragt om die sub-
sidiën ook in het vervolg aan de gemeenten uit te beta-
len, en nu heeft de Regering eene bepaling ontworpen,
waarin naar het haar voorkomt, de mogelijkheid niet
wordt afgesneden, om met de toeleggingen van subsidiën
aan de gemeenten, daar waar het mogt worden vereischt,
voort te gaan, want het is te regt opgemerkt, dat door
het woord andere de Staat niet wordt uitgesloten. De
Regering heeft alzoo de mogelijkheid niet afgesneden, om
als het blijken mogt dat de billijkheid of ook het regt
medebragt die subsidiën te blijven uitbetalen, daaraan
alsdan gevolg te geven. (Min. van binnenl. zaken, Bijbl.
1857 , bladz. 1151.)
De bepaling van art. 31 snijdt niet af de gelegenheid,
om daar, waar het regt of de billijkheid kunnen worden
aangetoond, van eene voortdurende uitbetaling uit 'srijks