Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
sbepfffhbi
136
Art. 81.
De Regering heeft gemeend als regel te moeten aanne-
men , dat elke gemeente in al de kosten van haar open-
baar lager onderwijs voorziet. (Mem. v. Toel. van 22.
Sept. 1854.)
Zijn de dusverre toegestane fondsen voor het vervolg
onvoldoende, de gemeente tracht er in te voorzien. Wel-
ligt zijn de gewone inkomsten, gevoegd bij het schoolgeld
dat van de meer gegoeden gevorderd kan worden, ge-
noegzaam voor de meerdere uitgaven. Gelden uit stich-
tingen afkomstig, bijzondere fondsen, vroeger voor het
onderwijs opgerigt, kunnen hier en daar krachtig helpen.
Zijn al deze middelen nog niet voldoende, de gemeente-
wet wijst aan, hoe het ontbrekende gevonden kan worden.
Eindelijk komen, bij onvermogen, voor zooveel het lager
onderwijs betreft, de provincie en het Rijk te hulp. (Blem.
v. Toel. van 22. Sept. 1854.)
Zoo de gemeente in de kosten moet voorzien, zullen
deze ongetwijfeld geringer zijn dan wanneer de Staat er
voor moet zorgen. In het eerste geval zullen behoorlijke
spaarzaamheid en overleg op den voorgrond staan. Ten
einde de gemeenten niet te zeer te bezwaren, zal een ver-
standig en zorgend bestuur trachten met weinig middelen
veel te doen, van alles partij zien te trekken, overal hulp-
bronnen op te sporen, zuinig en naauwkeurig te beheeren.
In het laatste geval, wanneer de gemeente aan den Staat
slechts heeft op te geven hoeveel voor haar openbaar on-
derwijs wordt vereischt, zal, in het algemeen, weinig op
dit alles worden gelet. Onder voorgeven , dat de Staat
over ruime middelen kan beschikken, zullen de meeste
gemeenten al ligt grooter sommen vragen, dan indien de
kosten voor hare rekening moesten komen. De wensch
naar zoo goed mogelijk openbaar onderwijs kan daarbij
als billijke verschooning voor hooger eischen worden aan-
gevoerd. Hoe zal worden nagegaan of die eischen over-
dreven zijn? Het schijnt geen gewaagde stelling, dat de
Staat in den regel te veel zou geven. (IVIem. v. Toel. van
22. Sept. 1854.).