Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
135
Aet. 80 en 31.
Art. 37. De raad onderzoekt de aanvragen om pen-
eioen, en brengt zijn advies uit omtrent het al of niet
verleenen van pensioen , mitsgaders over de hoegrootheid
van hetzelve.
Art. 40. De bepalingen der wet van den 24. Januarij
1815 {Staatsblad No. 5), welke bij deze ook van kracht
verklaard wordt voor de provincie Limburg, worden, zoo
wel wat de arresten als wat de kortingen betreft, met
opzigt tot de burgerlijke pensioenen gehandhaafd en toe-
passelijk verklaard.
Art. 41. De burgerlijke pensioenen zijn onvervreemdbaar.
De titularis kan daarover op geenerlei wijze beschikken,
ook niet door verpanding of beleening.
Indien hij last geeft om dezelve voor hem te ontvangen,
kan hij die lastgeving altijd herroepen.
Alle overeenkomsten hiermede strijdig, zijn nietig.
Deze bepalingen worden in de acte van pensioen uit-
gedrukt.
De voorschotten door gemeentebesturen, liefdadige of
tot algemeen nut werkende instellingen, hetzij renteloos,
hetzij tegen eene matige rente, op de voorschrevene pen-
sioenen gegeven of nader te geven , en tot zekerheid waar-
van de acten van pensioen in pand gegeven zijn of zul-
len worden, zijn niet onder do bij deze wet verbodene
beleeningen begrepen, mits de bepalingen, waarnaar die
voorschotten geschieden, door Gedeputeerde Staten der
provincie, waarin de gezegde besturen en instellingen zijn
gevestigd, goedgekeurd zijn.
§ 3. Van de kosten van liet onderwijs.
Art. 31. Elke gemeente voorziet in de kosten van
haar lager onderwijs, voor zooverre die niet komen ten
laste van anderen, of op andere wijze worden gevonden.