Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
134
Art. 80.
zeesche bezittingen of van fondsen onder het beheer des
Kijks geplaatst, in betrekkingen die ter begeving staan
van het algemeen bestunr, wanneer het vereenigd bedrag
de som van vijf honderd gulden overtreft.
In dat geval kan echter de vergunning van den Koning
tot het gelijktijdig genot verkregen worden, tegen korting
op het pensioen tot een bedrag van ten minste de helft
der bijkomende inkomst of belooning, in dier voege dat
door de voorschreven korting, het gezamenlijk inkomen
op niet minder dan vijf honderd gulden gebragt wordt.
Art. 31. AYanneer een burgerlijk gepensiunneerde in
's Eijks dienst wordt herplaatst in eene betrekking, waar-
aan het uitzigt op burgerlijk pensioen verknocht is, wordt
zijn pensioen, gedurende het vervullen van zoodanige be-
trekking, geschorst, of, in geval de nieuwe belooning het
bedrag der laatstelijk genotene niet bereikt, verminderd
op den voet van art. 30, met dien verstande dat het ge-
zamenlijk inkomen in geen geval hooger zij dan de bezol-
diging, welke hij bij do op-ponsioen-stelling genoot. Bij
latere aftreding kan het pensioen worden verhoogd in
evenredigheid van de belooning en den duur der diensten
na de herplaatsing genoten en bewezen, zonder echter het
toepasselijk maximum te kunnen overschrijden.
Art. 32. Burgerlijke gepensionneerden zijn, op ver-
beurte van hun pensioen, verpligt hunne woonplaats en
verblijf te hebben en te houden op het grondgebied van
den Staat of van deszelfs Overzeesche bezittingen.
Zij mogen mitsdien hunne pensioenen niet buiten het
Eijk of deszelfs Overzeesche bezittingen verteren, dan
met toestemming van den Koning, en zijn, na deze ver-
kregen te hebben, verpligt om vóór hun vertrek of voor
de daarop eerstvolgende pensioenbetaling, op eene authen-
tieke wijze, de verklaring af te leggen van hun domici-
lium binnen dit Eijk te behouden, met aanduiding van
de plaats, waar dat domicilium gevestigd is.
De gezegde toestemming heeft altijd ton gevolge eene
korting , ten bedrage vun het derde gedeelte des pensioens.