Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
133
Art. 80.
meld, in met den dag volgende op dien, met welken de
wedde of belooning waarnaar zij berekend zijn, of het
pensioen dat zij vervangen, is opgehouden.
Zij worden uitbetaald tot het einde van het vierendeel
jaars waarin zij door overlijden of om andere redenen
vervallen.
In geval van herplaatsing echter wordt het pensioen
niet verder uitbetaald, dan tot den dag dat de wedde of
belooning ingaat.
Art. 26. De pensioenen , welke gedurende vijf achter-
eenvolgende jaren niet zijn ingevorderd, worden aange-
merkt als vervallen.
De titularissen, welke later de uitbetaling weder mogten
aanvragen, kunnen in het genot niet worden hersteld,
dan te rekenen van het vierendeel jaars, volgende op dat
waarin de aanvraag gedaan is.
De termijnen, waarvan de invordering niet heeft plaats
gehad binnen één jaar na de betaalbaarstelling, worden
niet meer uitbetaald.
Art. 27. Veroordeeling tot lijf- of onteerende straf, ten
zij door geheele kwijtschelding der straf opgevolgd, doet
het genot van pensioen ophouden tot op de rehabilitatie.
Het staat den Koning vrij, daartoe termen vindende,
over het pensioen van den veroordeelde, ten behoeve van
deszelfs vrouw of minderjarige kinderen, te beschikken.
Art. 28. Het pensioen vervalt wanneer de titularis
handelt in strijd met art. 65 der Grondwet, of de hoeda-
nigheid van Nederlander verliest, of tractementen of pen-
sioenen van eene vreemde mogendheid aanneemt.
Art. 29. Behoudens het bepaalde bij het laatste lid
van art. 33, kan geen burgerlijk pensioen gelijktijdig met
een ander pensioen ten laste van de geldmiddelen van den
Staat of van deszelfs overzeesche bezittingen, genoten
worden.
Art. 30. Burgerlijke gepensionneerden kunnen hun pen-
sioen niet gelijktijdig genieten met inkomsten of beloonin-
gen uit de geldmiddelen van den Staat, van deszelfs Over-