Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
131
Art. 29 en 30.
neerd, wordt aan den Staat een derde gedeelte van het
bedrag van het pensioen vergoed.
Het pensioen der onderwijzers zou moeten komen ten
'aste der gemeenten. Om echter deze niet te veel te be-
zwaren, wordt er slechts eene bijdrage van haar verlangd,
want het blijkt uit de bepalingen, omtrent het pensioen
in deze wet opgenomen , dat de gemeenten slechts voor een
gedeelte in de kosten van het pensioen zullen bijdragen,
dat het de onderwijzers zeiven zijn die onderworpen
zullen wezen aan de doorloopcnde kortingen, terwijl de
gemeenten slechts voor een derde in het pensioen zullen
contribueren en de overige twee derde uit de Rijks schat-
kist zullen worden betaald. Deze bijdrage is, dunkt mij,
een gering bezwaar voor de gemeenten, het pensioneren
van onderwijzers kwam tot dusverre, hoewel zelden, toch
somtijds voor en dan werd dat pensioen doorgaans ge-
heel en alleen gedragen door de gemeenten. Nu zullen
de gemeenten slechts een klein deel behoeven bij te dra-
gen: zij hebben dus geene reden om de nu voorgestelde
bepalingen voor te drukkend te houden. (Min. van binnenl.
zaken, Bijbl. 1857, bladz. 1138.)
Art. 30. De bepalingen van de artt. 22, 23, 24,
26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 37, 40 en 41 der wet
van den 9'""' Mei 1846 {Staatsblad n° 24), zoo als die
bij de wet van den Mei 1851 {Staatsblad n°. 49)
zijn gewijzigd, zijn op de pensioenen der hoofd- en
hulponderwijzers toepasselijk.
Deze artt. van de pensioenwet zijn van dezen inhoud:
Art. 22. Geen Pensioen wordt verleend dan op aan-
vrage van of van wege de belanghebbenden.