Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
Inleiding.
Kamer geinterpeleerd door den Heer e. av. van dam van
isselt, wegens willekeur in zijne handelingen omtrent liet
onderwijs , cn daarbij drong hij aan op het spoedig indie-
nen van de wet op het onderwijs. De minister verde-
digde zich, doch beantwoordde de vx'aag over het indienen
van de wet niet.
In September 1851 werd er in de troonrede niet bepaald
over dc wet op het onderwijs gesproken.
Den 24. Sept. 1851 drong M'. g. groen van prinsterek ,
bij de beraadslaging over het adres van antwoord op de
troonrede, in do Tweede Kamer der Staten-Generaal, met
nadruk aan op de indiening, zoo niet van de wet op
alle takken van het onderwijs, dan toch op die van het
lager onderwijs, en zoo dit niet kon geschieden, dan op
eene partiële voorziening van het bijzonder onderwijs en
algeheele vrijheid tot oprigting van bijzondere scholen, en
het voorloopig oprigten van gezindheidsscholen.
De Tweede Kamer besluit om niet bepaald op het in-
dienen van de wet op het onderwijs aan te dringen.
De Eerste Kamer dringt echter, in het adres van ant-
woord op de troonrede, op eene spoedige indiening van
de wet op het onderwijs aan.
De minister van binnenl. zaken ^rwittigt, dat hij niet
belooven wil, of de wet in deze zitting wel zal ingediend
worden.
In de troonrede van Sept. 1852 komt weder niets be-
paald over de indiening van de wet op het onderwijs voor.
De minister van binnenl. zaken zegt bij de beraadsla-
ging over het adres van antAvoord op de troonrede, dat
hij hoopt spoedig in de gelegenheid te zijn, de wet op
het onderwijs te kunnen indienen.
Den 24, Nov. 1852 zegt de minister van binnenl. zaken,
bij de beraadslaging over de begrooting, 5® lioofdstuk,
dat aan de wet op het onderwijs vlijtig wordt voortge-
arbeid. Verder: hoe meer bijzondere scholen er worden
opgerigt, hoe beter, daardoor wordt de regeling van het
onderwijs gemakkelijker.