Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
125
Art. 24 en 25.
te bekleedeu, handel te drijven , beroepen of neringen uit
te oefenen is voor het onderwijs ongetwijfeld heilzaam,
kan voor den onderwijzer te minder hard worden geacht,
nu de wet tevens zorgt, dat hem een behoorlijk inkomen
wordt toegekend. (Mem. v. Toel. van 21. Febr. 1857.)
(b) Dit art. heeft nog eenig bezwaar, wat de inwo-
nende zonen des onderwijzers aangaat. Het eenvoudigst
ware zeker, het verbod tot den persoon des onderwijzers
te beperken. Maar dan zou de onderwijzer, door tus-
schenkomst zijner vrouw of kinderen , de eene of andere
winkelnering kunnen drijven, en ook dat moet, zoo moge-
lijk , worden te keer gegaan. (Voorl. Versl. van 6. April
1857.)
Art. 25. Aan hoofd- en hulponderwijzers wordt in
de volgende gevallen en onder de daarbij gestelde voor-
waarden pensioen ten laste van den Staat verleend.
Het welbegrepen belang van het onderwijs brengt mede
dat de onderwijzer, die met trouw en ijver zijne plig-
ten vervult, niet bij het klimmen der jaren door de ang-
stige zorg bekneld worde van eerlang, als zijne krachten
hem ontzonken, aan armoede te zijn blootgesteld. Eenig
vooruitzigt op verzorging in den ouden dag moet voor hem
bestaan, al ware het slechts om te voorkomen, dat ver-
dienstelijke, maar afgeleefde onderwijzers uit mededoogen
ook dan in dienst worden gehouden , als zij niet meer in
staat zijn hunne taak naar eisch te vervullen. (Voorl.
Versl. van 22. Mei 1855.)
De ambtenaar moet tevens niet meer geschikt zijn om
zijne betrekking naar behooren waar te nemen, en over
die geschiktheid oordeelt de autoriteit, die benoemt cn
ontslaat. In strijd met dit beginsel ware uit de bepaling
van art. 25 van het Ontwerp af te leiden, dat een onder-
wijzer, zoodra hij den vijfenzestigjarigen ouderdom bereikt
heeft en de vereischte dienstjaren telt, het regt heeft om