Boekgegevens
Titel: Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Auteur: Hemkes, H.
Uitgave: Groningen: J. Oomkens, J. Zoon, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 F 9 (2)
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204584
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Wet op het lager onderwijs (1857), Nederland, Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Wet op het lager onderwijs, van den 13. augustus 1857, (Staatsblad No. 103.): met aanteekeningen uit de geschiedenis van het onderwijs, de handelingen der regering en der wetgevende magt
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
Art. 24.
bij de bepaling zijner jaarwedde uit de gemeentekas. Ve-
len konden daarbij den wensch niet onderdrukken, dat
door het voor goed afscheiden van dergelijke kerkelijke
bedieningen van het onderwijzersambt het gestelde geval
niet meer mogt kunnen voorkomen. De vereeniging leidde
tot verkeerde, met het hoofdbeginsel der tegenwoordige
wet strijdige gevolgen, die reeds door de Staatscommissie
van 1840, blijkens haar vroeger aangehaald rapport, niet
over 't hoofd werden gezien. Voor onafhankelijkheid van
den onderwijzersstand kon niet genoeg worden gezorgd.
Men voerde aan deze leden te gemoet, dat door plotse-
linge, onvoorwaardelijke afscheiding vele burgerlijke ge-
meenten in groote ongelegenheid zouden worden gebragt.
Men erkende, dat naar de algeheele afscheiding moet
worden gestreefd. In elk geval moet de verpligte ver-
eeniging, waar die nog mogt bestaan, dadelijk ophouden.
(Voorl. Versl. van 6. April 1857.)
(a) Het is niet te ontkennen, dat de vereeniging van
kerkelijke bedieningen met het onderwijzersambt wel eens
tot moeijelijkheden aanleiding heeft gegeven, en zij boven-
dien op de onafhankelijkheid van den onderwijzer ongunstig
werken kan. Evenwel zijn er toch van den anderen kant
aan die vereeniging voordeden verbonden, die niet te spoe-
dig moeten worden verworpen. De verpligte vereeniging,
waar die mogt bestaan, zal bij de invoering der wet moe-
ten ophouden , daar zij, zoo als reeds is opgemerkt, niet
bestaanbaar is met de voorschriften dezer wet ten aan-
zien der benoeming van onderwijzers. (Mem. v, Beantw.
van 16. Junij 1857.)
(a) De Eegering is van oordeel, dat bij het verleenen
van verlof aan den onderwijzer om te gelijk andere amb-
ten of bedieningen waar te nemen, met behoedzaamheid
te werk moet worden gegaan. Alsdan kan het onderwijs
er niet bij lijden, terwijl van den anderen kant die ver-
eeniging voordeden aanbiedt. (Mem. v. Beantw. van 16.
Junij 1857.)
(b) Zoodanig verbod, om geene ambten of bedieningen